2 — Voorwaarden voor de aansluiting (deel 1) Aansluit- en transportcode gas DSB
Voorwaarden voor de aansluiting
2.1 Voorwaarden voor alle aangeslotenen op distributiesystemen
2.1.1 De aansluiting
2.1.1.1 Het aanleggen van een aansluiting vindt plaats op grond van een tussen de distributiesysteembeheerder en de aangeslotene af te sluiten aansluit- en transportovereenkomst.
2.1.1.2 De distributiesysteembeheerder bepaalt, rekening houdend met de aard, de omvang en de locatie van de installatie, en zo nodig na overleg met de aangeslotene, op welke wijze (bijv. druktrap, één of meer verbindingen) de gevraagde aansluitcapaciteit ter beschikking wordt gesteld.
2.1.1.2a De distributiesysteembeheerder mag de aansluiting, na voorafgaand overleg met de aangeslotene, realiseren op een ander punt in het distributiesysteem dan het dichtstbijzijnde punt in het distributiesysteem met een voor die aansluiting geschikte druk en voldoende capaciteit. Overeenkomstig artikel 2.1.1.1 worden afspraken daartoe vastgelegd in de aansluit- en transportovereenkomst.
2.1.1.3 De distributiesysteembeheerder realiseert de aansluiting binnen 18 weken na ontvangst van een aanvraag daartoe. Als dit binnen deze termijn niet mogelijk is dan informeert de distributiesysteembeheerder binnen een week na constatering van deze onmogelijkheid de aangeslotene daaromtrent schriftelijk onder opgaaf van redenen en bepaalt hij in overleg met de aangeslotene de termijn waarop de aansluiting wel gerealiseerd wordt.
2.1.1.4 Het overdrachtspunt van de aansluiting bevindt zich, bezien vanuit het distributiesysteem, direct na de aansluitleiding. De aangeslotene bepaalt na overleg met de distributiesysteembeheerder de locatie waar de aansluitleiding wordt aangesloten op de installatie.
2.1.1.4a [vervallen]
2.1.1.5 De distributiesysteembeheerder verbindt de aansluiting met de meetinrichting. De aangeslotene maakt het mogelijk dat de distributiesysteembeheerder alle handelingen kan verrichten die ter zake noodzakelijk worden geacht.
2.1.1.6 De distributiesysteembeheerder brengt de noodzakelijke hulpmiddelen of appendages aan voor het realiseren van de aansluiting zoals bedoeld in 2.1.1.5. De distributiesysteembeheerder houdt de aansluiting in stand en is verantwoordelijk voor het onderhoud en de controle ervan. De distributiesysteembeheerder kan op verzoek van de aangeslotene de aansluiting uitbreiden, wijzigen, vervangen, verplaatsen en weggenemen. De aangeslotene maakt het mogelijk dat alle handelingen kunnen worden verricht die hiervoor noodzakelijk zijn.
2.1.1.7 [vervallen]
2.1.1.8 [vervallen]
2.1.1.9 Leidingen en appendages ten behoeve van de aansluiting, en de aansluitleiding voldoen aan de volgende vigerende technische normen:
a. NEN 1059: “Nederlandse editie op basis van NEN-EN 12186 en NEN-EN 12279 – Gasvoorzieningssystemen – Gasdrukregelstations voor transport en distributie”;
b. NEN-EN 1594: “Gasvoorziening – Leidingsystemen voor maximale bedrijfsdruk groter dan 16 bar – Functionele eisen”;
c.
– NEN 3650-1: “Eisen voor buisleidingsystemen – Deel 1: Algemeen”;
– NEN 3650-2: “Eisen voor buisleidingsystemen – Deel 2: Staal”;
– NEN 3650-3: “Eisen voor buisleidingsystemen – Deel 3: Kunststoffen”;
– NEN 3650-4: “Eisen voor buisleidingsystemen – Deel 4: Beton”;
– NEN 3650-5: “Eisen voor buisleidingsystemen – Deel 5: Gietijzer”;
d.
– NEN 7244-1: “Nederlandse editie op basis van NEN-EN 12007-1 – Gasvoorzieningsystemen – Leidingen voor maximale druk tot en met 16 bar – Deel 1: Algemene functionele aanbevelingen”;
– NEN 7244-2 “Nederlandse editie op basis van NEN-EN 12007-2 – Gasvoorzieningsystemen – Leidingen voor maximale druk tot en met 16 bar – Deel 2: Specifieke functionele aanbevelingen voor polyethyleen (MOP tot en met 10 bar)”;
– NEN 7244-3 “Nederlandse editie op basis van NEN-EN 12007-3 – Gasvoorzieningsystemen – Leidingen voor maximale druk tot en met 16 bar – Deel 3: Specifieke functionele aanbevelingen voor staal”;
– NEN 7244-4 “Gasvoorzieningsystemen – Leidingen voor maximale druk tot en met 16 bar – Deel 4: Specifieke functionele eisen voor nodulair gietijzeren leidingen met een maximale bedrijfsdruk van 8 bar”;
– NEN 7244-5 “Gasvoorzieningsystemen – Leidingen voor maximale druk tot en met 16 bar – Deel 5: Specifieke functionele eisen voor slagvaste PVC-leidingen met een maximale bedrijfsdruk van 200 mbar”;
– NEN 7244-6: “Gasvoorzieningsystemen – Leidingen voor maximale druk tot en met 16 bar – Deel 6: Specifieke functionele eisen voor aansluitleidingen”;
– NEN 7244-7: en NEN 7244-7/A1:“Gasvoorzieningsystemen – Leidingen voor maximale druk tot en met 16 bar – Deel 7: Specifieke functionele eisen voor sterkte- en dichtheidsbeproeving en voor het in bedrijf en buiten bedrijf stellen van gasdistributieleidingen”.
– NEN 7244-9: “Gasvoorzieningsystemen – Leidingen voor maximale druk tot en met 16 bar – Deel 9: Specifieke functionele eisen voor de afhandeling van gasmeldingen en periodiek gaslek zoeken”.
– NEN 7244-10: “Gasvoorzieningsystemen – Leidingen voor maximale druk tot en met 16 bar – Deel 10: Specifieke functionele eisen voor opstellingsruimten en meteropstellingen met een maximale inlaatdruk van 100 mbar en een maximale ontwerpcapaciteit van 650mn3/h”.
2.1.1.10 Met de in 2.1.1.9 bedoelde leidingen worden gelijkgesteld leidingen en installaties die aantoonbaar aan tenminste gelijkwaardige technische eisen voldoen. Met de in 2.1.1.9 bedoelde leidingen wordt gelijkgesteld een leiding die rechtmatig is vervaardigd of in de handel is gebracht in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel rechtmatig is vervaardigd of in de handel is gebracht in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, en die voldoet aan eisen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de eisen genoemd in 2.1.1.9 wordt nagestreefd.
2.1.2 De comptabele meting
2.1.2.1 De aansluiting is voorzien van een meetinrichting die voldoet aan de wettelijke voorschriften en aan de eisen van de “Meetcode gas RNB”.
2.1.2.2 De comptabel te meten grootheden worden vastgelegd in de transportovereenkomst van de distributiesysteembeheerder met de aangeslotene.
2.1.2.3 De comptabele meting vindt plaats op of bij het overdrachtspunt. Calorische correcties en/of eventuele andere bewerkingen van de gegevens die noodzakelijk zijn om de meetgegevens tot comptabele meetgegevens te maken, hoeven niet op de aansluiting zelf te worden uitgevoerd.
2.1.2.3a [vervallen]
2.1.2.3b De distributiesysteembeheerder is bevoegd de meetinrichting te onderzoeken om te beoordelen of de meetinrichting aan de Meetcode gas RNB voldoet. Indien blijkt dat de meetinrichting niet voldoet aan de Meetcode gas RNB, is de aangeslotene verplicht de gebreken voor zijn rekening te herstellen binnen een door de distributiesysteembeheerder opgegeven termijn en conform de eisen zoals vastgelegd in deze Aansluit- en transportcode gas DSB.
2.1.2.3c Voor de periode waarvan vaststaat dat de meetinrichting niet voldoet aan de Meetcode gas RNB, mag de distributiesysteembeheerder meetwaarden vaststellen. De hoogte van de vast te stellen meetwaarden moet redelijk zijn en de distributiesysteembeheerder dient te onderbouwen hoe hij de hoogte van de meetwaarden heeft bepaald.
2.1.2.4 In afwijking van het bepaalde in 2.1.2.1, hoeft een kleinverbruiker niet te zorgen voor een comptabele meting indien:
a. het een aansluiting betreft die op het moment van inwerkingtreding van deze bepaling reeds onbemeten was, èn
b. er voor deze aansluiting een zogeheten gasabonnement met de leverancier is afgesloten.
2.1.3 De omgeving van de aansluiting
2.1.3.1 De aangeslotene heeft de plicht er voor te zorgen dat de hulpmiddelen en appendages van de distributiesysteembeheerder, het overdrachtspunt en de meetinrichting goed toegankelijk blijven en dat ter zake alle redelijkerwijs noodzakelijke handelingen kunnen worden verricht.
- Regeling
- Aansluit- en transportcode gas DSB
- Soort
- ZBO-regeling
- Geldend vanaf
- 21-02-2026
- BWB-id
- BWBR0052332
- Versie
- 2026-02-21_0