wetzoeker

Artikel 13.20 Wet collectieve warmte

Overige bepalingen

1 De kenmerken van de binneninstallatie en de warmtebehoefte van het gebouw zoals die op het tijdstip van inwerkingtreding van de artikelen 2.16 en 2.31 in een leveringsovereenkomst tussen een op grond van artikel 13.2 of 13.3 aangewezen warmtebedrijf of een warmtebedrijf waaraan op grond van artikel 13.12, eerste lid, een ontheffing is verleend dan wel een warmtebedrijf waaraan een ontheffing als bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, is verleend, en een verbruiker staan, worden beschouwd als te voldoen aan de vereisten van de kenmerken van de binneninstallatie en de warmtebehoefte van het gebouw als bedoeld in artikel 2.31, eerste lid, onderdelen d en f, en de kenmerken van de binneninstallatie en de warmtebehoefte van het gebouw als bedoeld in artikel 2.16, tweede lid, onderdelen c en d.

2 Indien op het tijdstip van inwerkingtreding van de artikelen 2.16 en 2.31 de kenmerken van de binneninstallatie en de warmtebehoefte van het gebouw niet in de leveringsovereenkomst, bedoeld in het eerste lid, zijn omschreven, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de op dat tijdstip aanwezige binneninstallatie en geldende warmtebehoefte van het gebouw, tenzij er sprake is van gebrekkig onderhoud of het verkeerd ingeregeld zijn van de binneninstallatie.

3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over wanneer sprake is van gebrekkig onderhoud of het verkeerd ingeregeld zijn van de binneninstallatie als bedoeld in het tweede lid.

Regeling
Wet collectieve warmte
Soort
Wet
Geldend vanaf
14-02-2026
BWB-id
BWBR0052212
Versie
2026-02-14_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl