9.6 — Specifieke kwalitatieve criteria Besluit Focus on Freedom
Specifieke kwalitatieve criteria
De ingediende aanvraag wordt, indien toetsing op de drempelcriteria zoals genoemd in paragraaf 3.1 met positieve uitkomst is afgerond, beoordeeld op basis van de volgende kwalitatieve criteria (in geval van deelaanvragen: per deelaanvraag).
Onderdeel I: Track Record (maximaal 40 punten)
1. Track record op capaciteitsversterking (maximaal 10 punten)
a) De mate waarin de aanvrager aantoonbaar ervaring heeft met capaciteitsversterking ten behoeve van lokale maatschappelijke organisaties in LMIL’s die zich inzetten voor vrijheid van religie en levensovertuiging, afgestemd op de behoeften van deze organisaties.
b) De mate waarin de door de aanvrager ingezette capaciteitsversterking tot positieve verandering heeft geleid bij lokale maatschappelijke organisaties, en er door de aanvrager uit deze ervaringen is geleerd.
2. Track record op financieringsmechanismen (maximaal 10 punten)
De mate waarin de aanvrager ervaring heeft met het opzetten en beheren van systemen voor het beschikbaar stellen en verantwoorden van middelen aan in-country partners, op een wijze die ruimte laat voor transparantie, wederzijds vertrouwen en een passende mate van verantwoordelijkheid bij deze partners.
3. Beschikking over lokaal en relevant netwerk (maximaal 10 punten)
a) De mate waarin de aanvrager beschikt over een voor de beleidsdoelstellingen (zie paragraaf 9.1) van het instrument relevant en divers netwerk van lokale maatschappelijke organisaties in de door hem gekozen landen, dat aantoont dat de aanvrager stevig is ingebed in de lokale context.
b) In gevallen waarin de aanvrager niet beschikt over een relevant netwerk van lokale maatschappelijke organisaties in één van de landen waarvoor de aanvraag wordt ingediend: de mate waarin de aanvrager in staat is een geschikte internationale of regionale maatschappelijke organisatie te identificeren die, in samenwerking met lokale maatschappelijke organisaties, als in-country partner kan optreden in een coördinerende en ondersteunende rol.
4. Track record op belangenbehartiging (maximaal 10 punten)
De mate waarin de aanvrager ervaring heeft met belangenbehartiging gericht op vrijheid van religie en levensovertuiging binnen regionale, internationale en multilaterale gremia, hiermee de vraaggestuurde belangen van lokale maatschappelijke organisaties heeft vertegenwoordigd en hun positie heeft versterkt.
Onderdeel II: Voorstel (maximaal 60 punten)
5. Context-, stakeholder- en probleemanalyse en landenkeuze (maximaal 20 punten)
a) De mate waarin een gedegen en relevante context-, stakeholder- en probleemanalyse wordt geschetst met aandacht voor intersectionaliteit en de verschillende target communities.
b) De mate waarin het voorstel voor activiteiten logisch voortvloeit uit en aansluit op de context-, stakeholder- en probleemanalyse.
c) De mate waarin de keuze voor (een combinatie van) specifieke landen logisch voortvloeit uit de context-, stakeholder- en probleemanalyse en goed is onderbouwd.
d) De mate waarin het voorstel overtuigend onderbouwt hoe de interventie bijdraagt aan duurzame resultaten.
6. Visie en aanpak op lokalisering (maximaal 5 punten)
De mate waarin de aanvrager een heldere visie en aanpak presenteert voor het stimuleren van lokaal eigenaarschap, met inzicht in de rolverdeling tussen de aanvrager en in-country partners (lokale maatschappelijke organisaties, en indien van toepassing, internationale regionale organisaties) bij het ontwerp en de implementatie van het programma.
7. Selectie en beoordelingsproces van in-country partners (maximaal 5 punten)
De mate waarin het selectieproces van in-country partners zorgvuldig, objectief en inclusief is ingericht. Daarbij is van belang dat er duidelijke procedures zijn voor het selecteren van nieuwe partners en voor de herbeoordeling van bestaande partners, waarvan de organisatiecapaciteit als voldoende is beoordeeld om voor ondersteuning in aanmerking te komen.
8. Capaciteitsversterking van lokale maatschappelijke organisaties (maximaal 10 punten)
a) De mate waarin de voorgestelde aanpak voor capaciteitsversterking blijk geeft van een vraaggestuurde werkwijze, met aandacht voor de lokale context en de (nader te bepalen) capaciteitsbehoeften van lokale maatschappelijke organisaties.
b) De mate waarin de voorgestelde aanpak is gebaseerd op een duidelijke methodologische visie op capaciteitsversterking.
9. Internationale belangenbehartiging (maximaal 5 punten)
De mate waarin de door de aanvrager zelf uit te voeren belangenbehartigingsactiviteiten logisch voortvloeien uit de context-, stakeholder- en probleemanalyse en bijdragen aan het vergroten van cross-regionale samenwerking en het netwerk van lokale maatschappelijke organisaties op een adaptieve, bewijs- en vraaggestuurde wijze met betrokkenheid van relevante religieuze actoren en stakeholders.
10. MEL systematiek (maximaal 5 punten)
a) De mate waarin de voorgestelde aanpak en taakverdeling voor MEL in samenwerking met in-country partners wordt ontwikkeld.
b) De mate waarin deze aanpak zodanig is ingericht dat deze de voortgang van het programma bewaakt, hierover op transparante wijze verantwoording mogelijk maakt en als basis dient voor tijdige aanpassing van activiteiten binnen de vereisten van dit subsidiebeleidskader.
11. Risicobeheersing (maximaal 5 punten)
De mate waarin de risico’s voor het voorgestelde programma en voor alle betrokkenen inzichtelijk zijn gemaakt en deze zijn voorzien van passende mitigerende maatregelen.
12. Budget (maximaal 5 punten)
De mate waarin de benodigde middelen, en de verdeling daarvan, opgenomen in de begroting bij de aanvraag, in evenredige verhouding staan tot de context-, stakeholder- en probleemanalyse, de uit te voeren activiteiten en de te realiseren resultaten.
Onderdeel III: Beleidsprincipes (maximaal 10 punten)
13. Gender (maximaal 5 punten):
a) De mate waarin het voorstel proactief rekening houdt met genderverhoudingen in de desbetreffende context.
b) De mate waarin het voorstel inzet op versterking van gendergelijkheid middels de voorgestelde implementatie, passend bij de lokale context en target communities.
14. Conflictsensitiviteit (maximaal 5 punten):
a) De mate waarin het voorstel inzicht toont in de conflictdynamiek in de context van de landen waarop de aanvraag zich richt en deze inzichten heeft vertaald naar conflictsensitief ontwerp en uitvoering van activiteiten.
b) De wijze waarop wordt gewaarborgd dat uitvoering in overeenstemming is met het do no harm-principe.
- Regeling
- Besluit Focus on Freedom
- Soort
- Ministeriële regeling
- Geldend vanaf
- 13-12-2025
- BWB-id
- BWBR0051956
- Versie
- 2025-12-13_0