wetzoeker

Marktrisicopremie Besluit vaststelling redelijk rendement warmteleveranciers 2026–2028

Zienswijze 3a: “Marktrisicopremie moet worden getoetst aan de hurdle rates van daadwerkelijke investeerders.”

Respondenten | Consultatiedocumenten | Leidt tot Wijzigingen

Vereniging Energie-Nederland | Ontwerpbesluit redelijk rendement Onderzoek Brattle 2025 | Nee

Samenvatting zienswijze:

147. Vereniging Energie-Nederland stelt dat de marktrisicopremie die de ACM vaststelt op basis van het Brattle rapport

69 Brattle, Beta and ERP for Heating Companies in the Netherlands, 8 mei 2025.

moet worden getoetst aan de daadwerkelijk hurdle rates van investeerders. Volgens Vereniging Energie-Nederland is het rapport van Brattle te theoretisch en sluit het onvoldoende aan bij de praktijk.

Reactie ACM:

148. De ACM verduidelijkt dat de marktrisicopremie niet één-op-één vergeleken kan worden met de rendementseisen die aandeelhouders in de warmtesector in de praktijk hanteren. De marktrisicopremie vertegenwoordigt namelijk de algemene risicopremie die beleggers op kapitaalmarkten eisen voor het investeren in aandelen ten opzichte van risicovrije obligaties. Het betreft een generieke parameter, en vertegenwoordigt niet de rendementseis die specifiek geldt voor aandeelhouders in de Nederlandse warmtemarkt. De redelijke rendementseis is de kostenvoet eigen vermogen. De marktrisicopremie is hier slechts één onderdeel van.

149. De ACM is van mening dat de kostenvoet eigen vermogen niet moet worden getoetst aan de hurdle rate van investeerders, aangezien het om twee verschillende begrippen gaat. De kostenvoet eigen vermogen omvat een redelijke rendementseis gebaseerd op de efficiënte kosten van het eigen vermogen van een onderneming. Daarentegen refereert de hurdle rate naar de rendementseis die investeerders in de praktijk gebruiken. Deze hurdle rates kunnen leiden tot een hoger rendement dan redelijk, bijvoorbeeld omdat investeerders beperkte capaciteit hebben om alle mogelijke investeringsopties te screenen. Door een hoge hurdle rate te hanteren, kiezen zij enkel de meest rendabele projecten. Ook kan het voorkomen dat investeerders enkel investeringsprojecten starten met zeer rendabele business cases om hun reputatie te beschermen. Volgens de ACM behoren deze factoren niet tot een redelijke rendementseis, en verbruikers zouden hier niet voor hoeven te betalen. De ACM gaat daarom niet mee in het verzoek van Energie-Nederland.

Zienswijze 3b: “De ACM moet een nominale marktrisicopremie vaststellen die gelijk is aan 6,8%, bestaande uit een reële marktrisicopremie van 3,8% plus 3% inflatieverwachting voor 2025.”

Respondenten | Consultatiedocumenten | Leidt tot Wijzigingen

Vereniging Energie-Nederland | Ontwerpbesluit redelijk rendement Onderzoek Brattle 2025 | Nee1

1Toelichting van de marktrisicopremie is uitgebreid (randnummers 47 tot en met 50).

Samenvatting zienswijze:

150. Vereniging Energie-Nederland meent dat de voorgestelde marktrisicopremie van 5,20% zich aan de onderkant van het Europese spectrum bevindt. Vereniging Energie-Nederland stelt dat de ACM de methodiek van de Bundesnetzagentur voor het bepalen van de marktrisicopremie zou moeten volgen. Volgens Energie-Nederland hanteert Bundesnetzagentur namelijk een reële marktrisicopremie van 3,8%, waar vervolgens een inflatieverwachting van 2,5% bij opgeteld zou worden. Dit zou dan leiden tot een nominale marktrisicopremie van ongeveer 6,3%. Hierbij merkt Vereniging Energie-Nederland op dat de gemiddelde inflatie in Nederland over de afgelopen jaren structureel hoger is geweest dan in de meeste andere EU-landen.

151. Vereniging Energie-Nederland stelt voor om de marktrisicopremie vast te stellen op minimaal 6,8%. Dit is gelijk aan een marktrisicopremie van 3,8% plus 3% inflatieverwachting voor 2025.

Reactie ACM:

152. De ACM wijst erop dat er geen nominale marktrisicopremie bestaat. De marktrisicopremie, zoals vastgesteld door DMS, is het gemiddelde historische verschil tussen het nominale rendement op aandelen en het nominale rendement op risicovrije obligaties. De resulterende marktrisicopremie is dus altijd een reëel getal en bevat geen inflatiecomponent meer. De marktrisicopremie vertegenwoordigt enkel de risicopremie die beleggers op kapitaalmarkten eisen voor het investeren in aandelen ten opzichte van risicovrije obligaties.

153. De gebruikte kostenvoet eigen vermogen bevat wel een inflatievergoeding, omdat de ACM naast de marktrisicopremie en de bèta de nominale risicovrije rente gebruikt om de kostenvoet eigen vermogen te bepalen. De ACM volgt het voorstel om inflatie nog een keer op te tellen bij de marktrisicopremie daarom niet op. De inflatie wordt al gereflecteerd in de kostenvoet eigen vermogen via de nominale risicovrije rente.

154. De ACM stelt vast dat de beschrijving van Vereniging Energie-Nederland van de Duitse methode om de marktrisicopremie te bepalen niet juist is. De Bundesnetzagentur stelt de marktrisicopremie voor netbeheerders eveneens vast op basis van het onderzoek van DMS, in lijn met de werkwijze van de ACM. De Bundesnetzagentur vermenigvuldigt deze reële marktrisicopremie van 3,8% met de bèta en telt hier nog een additionele risicopremie bij op. Vervolgens telt de Bundesnetzagentur deze som op bij de nominale risicovrije rente om tot de kostenvoet eigen vermogen te komen.

70 CEER (2025) Report on Regulatory Frameworks for European Energy Networks 2024. Zie paragraaf 2.11.

Deze methode is vergelijkbaar met de manier waarop de ACM de kostenvoet eigen vermogen vaststelt.

Regeling
Besluit vaststelling redelijk rendement warmteleveranciers 2026–2028
Soort
ZBO-regeling
Geldend vanaf
17-11-2025
BWB-id
BWBR0051804
Versie
2025-11-17_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl