wetzoeker

5.4 — Negatieve verkrijgingsprijs en vervreemdingsvoordeel bij toepassing doorschuifregeling bij overlijden of bij schenking Verzamelbesluit aanmerkelijk belang 2025

Negatieve verkrijgingsprijs en vervreemdingsvoordeel bij toepassing doorschuifregeling bij overlijden of bij schenking

Ingeval de doorschuifregeling van artikel 4.17a of 4.17c Wet IB 2001 toepassing vindt en over het beleggingsvermogen wordt afgerekend, geldt voor de bepaling van het vervreemdingsvoordeel een bijzondere berekening. De verkrijgingsprijs die in aanmerking zou zijn genomen ingeval niet was verzocht om toepassing van de doorschuifregeling komt dan in mindering op de overdrachtsprijs die toerekenbaar is aan het beleggingsvermogen tot maximaal die overdrachtsprijs (artikel 4.19, tweede lid, Wet IB 2001). Er komt niet slechts in mindering een deel van de verkrijgingsprijs dat evenredig is aan het in de heffing betrokken vervreemdingsvoordeel over het beleggingsvermogen.

Bij een positieve verkrijgingsprijs leidt deze berekening tot een zo klein mogelijk – maar niet kleiner dan nihil – vervreemdingsvoordeel ten aanzien van het beleggingsvermogen. Bij een negatieve verkrijgingsprijs is dit effect precies het tegenovergestelde, wat een onbillijkheid van overwegende aard tot gevolg heeft. In een situatie van een negatieve verkrijgingsprijs heb ik daarom een goedkeuring onder voorwaarden verleend.

Goedkeuring

Ik keur op basis van artikel 63 Algemene wet inzake rijksbelastingen (hardheidsclausule) goed dat ingeval de doorschuifregeling van artikel 4.17a of 4.17c Wet IB 2001 toepassing vindt en sprake is van een negatieve verkrijgingsprijs, deze negatieve verkrijgingsprijs de overdrachtsprijs van het beleggingsvermogen en daarmee het vervreemdingsvoordeel niet verhoogt. Hieraan verbind ik de volgende voorwaarden.

1. Bij het verzoek om toepassing van de doorschuifregeling van artikel 4.17a of artikel 4.17c Wet IB 2001 is opgenomen dat de erflater/schenker en de verkrijger gebruik wensen te maken van deze goedkeuring.

2. De gehele negatieve verkrijgingsprijs van de verkregen aandelen schuift door naar de verkrijger.

3. De verkrijger stemt in met deze doorschuiving van de gehele negatieve verkrijgingsprijs.

Voorbeeld

8 In het voorbeeld is geabstraheerd van de zogenoemde doelmatigheidsmarge.

X heeft alle aandelen in Z BV. De verkrijgingsprijs van de aandelen is negatief € 100.000. X overlijdt. Y is erfgenaam van X.

De aandelen in Z BV hebben op het moment van overlijden van X een waarde in het economisch verkeer van € 500.000. Het ondernemingsvermogen van Z BV is berekend op € 440.000; het beleggingsvermogen op € 60.000. Voor zover het vervreemdingsvoordeel als gevolg van overlijden van X ziet op het ondernemingsvermogen wordt dat deel niet als vervreemdingsvoordeel bij X in aanmerking genomen en wordt de verkrijgingsprijs van X doorgeschoven. Voor zover dit vervreemdingsvoordeel ziet op het beleggingsvermogen, wordt daarover wel afgerekend bij X.

Overeenkomstig het tweede lid van artikel 4.19 Wet IB 2001 is het vervreemdingsvoordeel dat ziet op het beleggingsvermogen als gevolg van het overlijden van X € 160.000. Dit is: € 500.000 – € 440.000 – negatief € 100.000.

Bij toepassing van de goedkeuring bedraagt het vervreemdingsvoordeel dat ziet op het beleggingsvermogen € 60.000. De verkrijgingsprijs van Y van de aandelen in Z BV wordt € 40.000 negatief. Dit is de gehele, doorgeschoven negatieve verkrijgingsprijs van € 100.000 plus het vervreemdingsvoordeel op het beleggingsvermogen dat bij de erflater (X) in aanmerking is genomen als inkomen uit aanmerkelijk belang.

Regeling
Verzamelbesluit aanmerkelijk belang 2025
Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
12-11-2025
BWB-id
BWBR0051728
Versie
2025-11-12_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl