wetzoeker

3.4 — Inbreng in holding Inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting; geruisloze omzetting artikel 3.65 Wet IB 2001; standaardvoorwaarden en toelichting

Inbreng in holding

In andere dan de in onderdeel 3.3 bedoelde gevallen waarin de onderneming wordt ingebracht in een bestaande houdstermaatschappij, zullen de feitelijke activiteiten van deze bestaande vennootschap (het houden van aandelen en eventueel het besturen van andere vennootschappen) vrijwel nooit in dezelfde lijn liggen als de activiteiten van de in te brengen onderneming. Artikel 3.65 Wet IB 2001 kan ter zake van inbreng in zo'n vennootschap in beginsel niet plaatsvinden.

Goedkeuring

Ik keur echter goed dat een dergelijke geruisloze inbreng toepassing vindt, mits:

a. reeds op het overgangstijdstip de belastingplichtige alle aandelen in de bestaande houdstermaatschappij onmiddellijk in handen heeft, en

b. reeds op het overgangstijdstip de bestaande houdstermaatschappij onmiddellijk of middellijk alle aandelen in handen heeft van een dochtervennootschap waarvan de feitelijke activiteiten reeds op het overgangstijdstip in dezelfde lijn liggen als die van de in te brengen onderneming, en

c. de inbreng in de houdstermaatschappij onmiddellijk wordt gevolgd door een overdracht van de ingebrachte onderneming aan die bestaande dochtervennootschap, en

d. deze overdracht plaatsvindt met toepassing van artikel 14 of 14a Wet Vpb 1969, en alleen wanneer deze overdracht plaatsvindt tegen uitreiking van gewone aandelen.

In gevallen waarin de inbreng in een houdstermaatschappij plaatsvindt door een samenwerkingsverband is ook aan voorwaarde b voldaan als de inbreng plaatsvindt van twee of meer subjectieve ondernemingen binnen hetzelfde samenwerkingsverband in meerdere bestaande houdstermaatschappijen. De houdstermaatschappijen dienen dan wel gezamenlijk de aandelen van de dochtervennootschap te bezitten en de inbreng in de houdstermaatschappijen dient direct te worden gevolgd door een overdracht van de ingebrachte onderneming aan de dochtervennootschap met toepassing van artikel 14 of 14a Wet Vpb 1969.

Voorwaarde d wordt toegelicht in onderdeel 4.2.2 van dit besluit.

Bovenstaande goedkeuring is van overeenkomstige toepassing bij:

a. een bestaande dochtermaatschappij zonder activiteiten;

b. een dochtermaatschappij die nieuw wordt opgericht en waarvan de houdstermaatschappij (middellijk) alle aandelen verkrijgt.

Regeling
Inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting; geruisloze omzetting artikel 3.65 Wet IB 2001; standaardvoorwaarden en toelichting
Soort
Beleidsregel
Geldend vanaf
05-11-2025
BWB-id
BWBR0051693
Versie
2025-11-05_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl