Aanwijzing 11 Doelen, rechten en verplichtingen Vaststellingsregeling Aanwijzingen voor convenanten 2025
1. In het convenant worden de doelen en verwachtingen van partijen zo duidelijk mogelijk tot uitdrukking gebracht.
2. In het convenant worden de rechten en verplichtingen van partijen zo duidelijk mogelijk omschreven. Daarbij wordt in ieder geval aangegeven:
a. welke partij welke rechten en verplichtingen heeft;
b. wat de inhoud van die rechten en verplichtingen is;
c. wat de eventuele termijnen zijn waarbinnen rechten geldend kunnen worden gemaakt of verplichtingen moeten worden nagekomen.
3. Met name met toezeggingen tot het al dan niet tot stand brengen, wijzigen of intrekken van wet- en regelgeving wordt terughoudendheid betracht.
4. In het convenant te gebruiken termen die een te weinig bepaalde of een van het spraakgebruik afwijkende betekenis hebben of waarover in de praktijk om andere redenen misverstanden kunnen ontstaan, worden gedefinieerd, zo mogelijk gebundeld in één bepaling.
Toelichting
Eerste lid. Voor een goede interpretatie van het convenant, kan het behulpzaam zijn als duidelijk is gemaakt waarom het convenant wordt gesloten en wat de verwachtingen van partijen zijn. Dit kan in een preambule, in een serie overwegingen of in een toelichting bij het convenant. Het verdient ook aanbeveling om in de overwegingen, een preambule of een toelichting aandacht te besteden aan de aanloop naar het sluiten van het convenant en de brede context. Een aandachtspunt hierbij is dat de overwegingen bij of de toelichting op een convenant geen verplichtingen moeten bevatten; die horen thuis in de afspraken zelf. Het is verder aan te raden om in de hoofdtekst van het convenant een duidelijke bepaling op te nemen over het doel van het convenant.
Als partijen bij het sluiten van een convenant duidelijk voor ogen hebben om met het convenant een overeenkomst naar burgerlijk recht (zie aanwijzing 1, tweede lid en toelichting) tot stand te laten komen kan dit expliciet worden opgenomen. Het komt echter vaker voor dat partijen dit niet beogen. Bijvoorbeeld omdat het convenant een proces van verkenning, onderhandeling of samenwerking moet inleiden dat mogelijk nog later in overeenkomsten moet worden uitgewerkt. Het verdient dan aanbeveling om dit in het convenant met zoveel woorden op te nemen, dat partijen ‘niet beogen een overeenkomst naar burgerlijk recht te sluiten’ of, dat partijen nog geen overeenkomst naar burgerlijk recht sluiten maar de mogelijkheden daartoe willen onderzoeken.
Tweede lid. Rechten en verplichtingen van partijen over en weer moeten zo onmiskenbaar mogelijk zijn. Het is van groot belang dat partijen helder en duidelijk zijn over hun inzet en inspanningen en eventueel het te behalen resultaat. Het moet voor alle partijen inzichtelijk zijn wie wat wanneer gaat doen en op welke wijze.
Vooral bij convenanten die worden gesloten met het oog op kwantitatieve resultaten die op langere termijn moeten worden bereikt, verdient het aanbeveling om een fasering in de resultaten te overwegen. Er kunnen dan ijkmomenten worden ingebouwd die een aangrijpingspunt vormen voor een tussentijdse beoordeling en eventuele aanpassing van het convenant.
Opstellers van convenanten dienen zich bewust te zijn van het verschil tussen de gebondenheid aan en de afdwingbaarheid in rechte van de afspraken en het verschil tussen inspannings- en resultaatsverplichtingen. In convenanten neergelegde afspraken zijn in beginsel bindend. Dit houdt in dat partijen gehouden zijn deze afspraken na te komen. Zij moeten dus doen wat zij over en weer beloofd hebben en kunnen dat, bij gebreke van een andersluidende regeling in het convenant, ook afdwingen. Daarbij zal naast de inhoud van de afspraken (inspannings- of resultaatsverplichtingen) ook de bedoeling van partijen, de over en weer gewekte verwachtingen en de omstandigheden van het geval, bepalend zijn of nakoming in een concreet geval afdwingbaar is. Het is mogelijk om af te spreken dat partijen nakoming van de inhoud van het convenant niet via de rechter kunnen afdwingen, bijvoorbeeld door op te nemen dat de verplichtingen die uit het convenant voortvloeien niet (in rechte) afdwingbaar zijn. Het verdient dan aanbeveling om afspraken te maken op dit punt, zie ook de aanwijzingen 23 en 24. Overigens moet hierbij worden opgemerkt dat de afdwingbaarheid in rechte geldt voor alle partijen of voor geen enkele partij. Het is niet mogelijk om af te spreken dat de afdwingbaarheid alleen geldt voor de nakoming door slechts een van de partijen.
In dat verband is relevant dat resultaatsverplichtingen zich beter in rechte laten afdwingen dan inspanningsverplichtingen. Bij resultaatsverplichtingen ('binnen drie jaar wordt het verbruik van x met y verminderd') levert reeds het niet bereiken van een bepaald resultaat een tekortkoming in de nakoming op. Bij inspanningsverplichtingen ('partijen spannen zich in binnen drie jaar het verbruik van x met y te verminderen') bestaat er pas een tekortkoming in de nakoming als er geen of te weinig inspanningen zijn verricht om te kunnen voldoen aan de bewuste verplichting. Zie hierover ook aanwijzing 23.
Derde lid. Voor het tot stand brengen van wet- en regelgeving gelden vaste, democratisch verankerde procedures. Die procedures hebben tot doel om inspraak van betrokken partijen mogelijk te maken en om ervoor te zorgen dat de volksvertegenwoordiging uiteindelijk beslist. Een Minister moet die procedures respecteren en kan daarom geen onvoorwaardelijke toezeggingen doen in een convenant over het tot stand brengen, wijzigen of intrekken van wet- en regelgeving. De daartoe te volgen procedures kunnen immers tot een geheel andere uitkomst leiden. Daarom is grote terughoudendheid op dit punt aangewezen. Dit geldt eveneens voor afspraken die weliswaar niet de totstandkoming, wijziging of afschaffing van wet- en regelgeving zelf tot doel hebben, maar wel de gevolgen, zoals het ontstaan van (privaatrechtelijke) aansprakelijkheid, of van het niet-bestendigen dan wel het uitblijven van de beoogde wijzigingen in wet- en regelgeving.
In het verlengde hiervan dient ook terughoudendheid betracht te worden ten aanzien van het wekken van verwachtingen die later niet waargemaakt kunnen worden. Zie hierover ook de Aanwijzingen voor de regelgeving. In het licht hiervan zullen eventuele toezeggingen beperkt dienen te zijn tot inspanningsverplichtingen. Zo kan een Minister toezeggen dat hij zich zal inspannen om de totstandkoming van wet- of regelgeving te bevorderen, bijvoorbeeld door het indienen van een wetsvoorstel bij de ministerraad. Daarbij is van belang dat in het convenant expliciet wordt bepaald dat een dergelijke inspanningsverplichting niet in rechte afdwingbaar is.
Ten aanzien van formele wetgeving is ook aanwijzing 8 van belang: een Minister is niet bevoegd om toezeggingen te doen over formele wetgeving, omdat hij niet de formele wetgever is. Hij kan een dergelijke toezegging niet nakomen. Verder kan een wederpartij van de rijksoverheid evenmin door middel van een convenant bewerkstelligen dat formele wetgeving tot stand komt. Een afspraak met een dergelijke strekking kan niet worden afgedwongen bij de rechter: de rechter kan de wetgever niet bevelen om wetgeving in formele zin tot stand te brengen.
Vierde lid. Het vierde lid laat onverlet dat doublures met wettelijke definitiebepalingen moeten worden voorkomen. In dat geval kan eventueel worden volstaan met een verwijzing in (de toelichting van) het convenant naar de relevante wettelijke bepalingen.
- Regeling
- Vaststellingsregeling Aanwijzingen voor convenanten 2025
- Soort
- Ministeriële regeling
- Geldend vanaf
- 11-10-2025
- BWB-id
- BWBR0051610
- Versie
- 2025-10-11_0