wetzoeker

3.1.1 — Vereiste inbreng en dooroverdracht door overnemer Bedrijfsfusiebesluit 2025

Vereiste inbreng en dooroverdracht door overnemer

Bij de beoordeling van de aanwezigheid van de door artikel 14 Wet Vpb 1969 vereiste inbreng van een onderneming of een zelfstandig onderdeel daarvan, moet rekening worden gehouden met een eventueel op het inbrengtijdstip bestaand voornemen tot dooroverdracht. Bij de eerste inbreng telt alleen het niet voor dooroverdracht bestemde deel van de inbreng mee voor de beoordeling of sprake is van de vereiste inbreng van een onderneming of zelfstandig onderdeel daarvan.

2 Hoge Raad 30 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7390.

Als na een dergelijke dooroverdracht niet wordt voldaan aan de vereiste inbreng vindt de vrijstelling bij de overdrager in het geheel geen toepassing.

Hieronder beschrijf ik een aantal gevallen van dooroverdracht, waarin ik de vereiste inbreng wel aanwezig acht, voor zover nodig goedkeurend.

a. De dooroverdracht vindt plaats in het kader van een bij de aard en omvang van de onderneming van de overnemer passende normale bedrijfsuitoefening.

b. Het achterblijvende deel van de inbreng bevat geen stille reserves of goodwill, dan wel er blijven na de laatste overdracht geen vermogensbestanddelen achter, en de dooroverdracht is een bedrijfsfusie gefaciliteerd op grond van artikel 14 Wet Vpb 1969, of een afsplitsing gefaciliteerd op grond van artikel 14a Wet Vpb 1969.

c. De dooroverdracht is gefaciliteerd op grond van artikel 15 Wet Vpb 1969.

Voor de volledigheid wijs ik er nog op dat bij een dooroverdracht in de vorm van een bedrijfsfusie of afsplitsing, waarbij het achterblijvende deel van de inbreng een onderneming vormt, voldaan is aan de vereiste inbreng, ongeacht de aanwezigheid van stille reserves.

Regeling
Bedrijfsfusiebesluit 2025
Soort
Beleidsregel
Geldend vanaf
25-09-2025
BWB-id
BWBR0051533
Versie
2025-09-25_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl