wetzoeker

6.11.2 — Gevolgen Kavelbesluit kavel I-A windenergiebied Nederwiek (zuid)

Gevolgen

MARIN-veiligheidsstudie Nederwiek (zuid) kavel I

De MARIN-veiligheidsstudie beschrijft de gevolgen van de windparken in kavels I-A en I-B tezamen voor het scheepvaartverkeer en is een bijlage bij het MER. De gevolgen zijn inzichtelijk gemaakt aan de hand van een configuratie van 15 MW op monopile-funderingen.

70 Het onderzoek is uitgevoerd op het moment dat nog werd uitgegaan van één kavel van ca. 2 GW, waarbij rekening is gehouden met 153 turbineposities. Gelet op het uitgangspunt dat twee kavels van 1 GW worden uitgegeven met elk maximaal 76 turbineposities, zijn de resultaten representatief voor de scheepvaartveiligheidsgevolgen van de kavels tezamen.

Dit kan beschouwd worden als een worstcasebenadering, aangezien het veiligheidsrisico in algemene zin afneemt indien wordt gekozen voor het plaatsen van minder turbines met een hoger vermogen. In de veiligheidsstudie is onderzocht wat de gevolgen zijn voor het scheepvaartverkeer (net) buiten het windenergiegebied. Dit is gedaan door de aanvaar- en aandrijffrequenties van de windturbines te bepalen. Ook is er gekeken naar de verandering in de veiligheid als gevolg van een wijziging in de routes die schepen nemen.

Kansen op aanvaringen en aandrijvingen

In de MARIN-veiligheidsstudie voor Nederwiek (zuid) zijn de kansen op aanvaringen en op aandrijvingen berekend en de gevolgen hiervan, waaronder het bezwijken van de windturbine en persoonlijk letsel. Om dit te kunnen berekenen is de afwikkeling van het scheepvaartverkeer in SAMSON gemodelleerd (Safety Assessment Model for Shipping and Offshore on the North Sea).

De totale aanvaar- en aandrijffrequentie voor de kavels I-A en I-B tezamen is eens per 26 jaar.

Figuur 9: Verwachte aantal aanvaringen/aandrijvingen per jaar voor kavel I-A en I-B tezamen.

Aantal aanvaringen (rammen) per jaar | | Aantal aandrijvingen (driften) per jaar | | Totaal aantal per jaar | Eens per ...jaar

R-schepen | N-Schepen | Totaal | R-Schepen | N-Schepen | Totaal

Kavels I-A en I-B Nederwiek (zuid) | 0,0038 | 0,0099 | 0,0137 | 0,0233 | 0,0017 | 0,0250 | 0,0387 | 26

R-schepen zijn routegebonden schepen en N-schepen zijn niet-routegebonden schepen.

Indirecte gevolgen: olie-uitstroom en persoonlijk letsel

Door aanvaringen en aandrijvingen kunnen indirecte gevolgen optreden, zoals olie-uitstroom en persoonlijk letsel. Er is te weinig kennis beschikbaar voor een goede kwantitatieve beschouwing van deze specifieke scenario’s. Daarom is in voorkomend geval gebruik gemaakt van conservatieve aannames. Uit het MER volgt dat de kans op persoonlijk letsel klein is. Het verwachte gemiddeld aantal doden per jaar als gevolg van een aanvaring of aandrijving van een windturbine in kavels I-A en I-B tezamen betreft 0,00785. Belangrijke kanttekening daarbij is dat in het onderzoek is gekeken naar slachtoffers als gevolg van het omvallen van een turbine (mast en gondel) op een dek en dat geen rekening is gehouden met eventuele slachtoffers wanneer dit niet het geval is, zoals bij het omslaan van een vissersboot of het zinken van een schip. In het Monitorings- en Onderzoeksprogramma Scheepvaartveiligheid Wind op Zee (MOSWOZ) wordt in de periode tot 2029, naar deze en andere kennisleemtes, nader onderzoek verricht.

71 De uitgangspunten ten aanzien van uitstroom van olie als gevolg van een aanvaring met een windturbine vormen een andere kennisleemte. De in het verleden gehanteerde uitgangspunten zijn verouderd en er is nader onderzoek nodig om deze kennisleemte op te vullen. Dit specifieke punt valt echter niet onder MOSWOZ.

Kruisende scheepvaart

In de MARIN-studie is onderzocht welke effecten windparken in kavels I-A en I-B kunnen hebben op kruisende scheepvaart. Voor kavels I-A en I-B zijn er weinig tot geen situaties waarin het windpark de zichtlijnen voor kruisende scheepvaart beïnvloedt. Bovendien is er door de afstand van ten minste 1,6 nautische mijl tussen de kavelgrens en de scheepvaartroute een bufferzone gecreëerd om uit te wijken.

Recreatievaart

Aangezien in de verkaveling rekening is gehouden met een doorvaartpassage en het beleidsmatig uitgangspunt is om alleen doorvaart via aan te wijzen passages toe te staan, is in het MER het uitgangspunt gehanteerd dat de recreatievaart gebruik kan maken van de doorvaartpassage. Volgens de MARIN-veiligheidsstudie is doorvaart via een doorvaartpassage veiliger dan integrale doorvaart door het windpark. Het gebruik van de doorvaartpassage brengt volgens de veiligheidsstudie een licht verhoogde aandrijf- en aanvaringskans met zich mee. De veiligheidsgevolgen van de doorvaartpassage zijn in de veiligheidsstudie (kwalitatief) beoordeeld als beperkt.

Risico’s voor platform K13-A

In een aparte memo

72 MARIN, in opdr. van Rijkswaterstaat, MEMO: aanvaar- en aandrijffrequentie platform K13, ref. 33797.602, 2022.

zijn de scheepvaartveiligheidsrisico’s voor het meest nabijgelegen mijnbouwplatform (K13-A) in beeld gebracht. Dit gasdoorvoerplatform, dat in de beoogde clearway ten noorden van kavel I-B is gelegen, zal als gevolg van de komst van windparken in Nederwiek (zuid) een iets hoger risicoprofiel krijgen. De aanvaar- en aandrijffrequentie neemt toe van eens in de 1.065 jaar naar eens in de 467 jaar, en blijft daarmee laag. In het onderzoek is gekeken naar het gehele windenergiegebied en niet naar het aandeel van elke kavel afzonderlijk. Gelet op de afstand tot de clearway, zullen de bovenstaande resultaten met name het gevolg zijn van een windpark in kavel I-B. Kavel I-A is gelegen op een afstand van ten minste 6,5 nautische mijl.

Cumulatieve effecten

Meerdere (toekomstige) windparken kunnen extra veiligheidsrisico’s met zich brengen. Dit wordt het cumulatieve effect genoemd. In een aparte studie

73 MARIN, SAMSON-analyse Wind op zee; versnellingsopgave 2030 met doorkijk naar 2040, ref. 31797-1-MO-rev.1.0, 2022.

zijn door MARIN de cumulatieve effecten die veroorzaakt worden door alle parken van de (aanvullende) routekaart 2030 tezamen onderzocht. De bouw van de windparken leidt tot grotere risico’s voor het scheepvaartverkeer. Risico is het product van kans maal gevolg. De kans op aanvaringen en aandrijvingen met windturbines stijgt bij uitvoering van de routekaart 2030 van 0,1 aanvaring per jaar op de Nederlandse Noordzee in het referentiejaar 2019 naar ca. 0,978 aanvaringen per jaar als alle windparken volgens de (aanvullende) routekaart zijn gerealiseerd. De bouw van de windparken heeft in veel mindere mate effect op de aanvaringsrisico’s tussen schepen onderling. Deze aanvaringsrisico’s op de Nederlandse Noordzee nemen toe van 6,304 aanvaringen tussen schepen per jaar (referentiejaar 2019) naar ca. 6,319 aanvaringen per jaar in 2030.

74 In deze cijfers is uitgegaan van een maximale benutting van onder meer het windenergiegebied Lagelander. Inmiddels is duidelijk dat dit windenergiegebied niet zal worden benut in het kader van de routekaart 2030, waarmee de aanvaringskansen naar verwachting lager zijn.

Regeling
Kavelbesluit kavel I-A windenergiebied Nederwiek (zuid)
Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
17-07-2026
BWB-id
BWBR0051044
Versie
2026-07-17_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl