wetzoeker

4.9.1 — Domein mondelinge taalvaardigheid (deel 1) Regeling toetswijzer doorstroomtoets PO Bonaire

Domein mondelinge taalvaardigheid

Toetsing van gespreks-, spreek- en luistervaardigheid via indirecte meting

De vraag is of m.b.v. indirecte meting gespreks-/spreekvaardigheid wordt getoetst of veeleer luistervaardigheid. Indirecte meting van gespreks- en spreekvaardigheid wordt hier dan ook niet verder besproken. Ten aanzien van luistervaardigheid staat de commissie op het standpunt dat deze alleen direct kan worden gemeten.

Toetsing van gespreksvaardigheid via directe meting

Directe toetsing van gespreksvaardigheid vormt een grote uitdaging voor wat betreft organisatie, tijdsinvestering en beoordeling. Omdat het vrijwel altijd om een groepsprestatie gaat, is het moeilijk gespreksvaardigheid als groepsproduct betrouwbaar direct te beoordelen. De kwaliteit van het gesprek hangt namelijk in grote mate af van de inbreng van de verschillende deelnemers. Als een van hen weinig of niets inbrengt, niet luistert, tegenwerkt etc. is het voor de andere deelnemers lastig er een goed gesprek van te maken.

14 In het RKP is bij gesprekken het kenmerk evalueren ook niet opgenomen.

Uit wat in de algemene omschrijving in het RKP is opgenomen ten aanzien van onderwerp en context volgt dat authenticiteit van de gesprekstaak belangrijk is. Bovendien is het bij de keuze voor de inhoud van de taak belangrijk dat de taak een veilig onderwerp betreft en dat leerlingen geen specifieke voorkennis nodig hebben. Ten aanzien van de context is het belangrijk dat deze zorgt voor betrokkenheid bij de uitvoering. De formulering van de taak moet leerlingen in een voor hen herkenbare, communicatieve situatie brengen of op zijn minst in een situatie waarin zij zich kunnen inleven. Uit die situatie moet als het ware natuurlijk voortvloeien dat zij hun gesprekspartner(s) informeren, proberen te overtuigen (betoog of debat) of samen een probleem oplossen (overleg). Bij een besluitvormend gesprek kan dit bijvoorbeeld door de leerlingen een gesprek te laten voeren over het organiseren van een (goede-doelen-)actie of door een spelopdracht, waarbij leerlingen hardop moeten overleggen over de vraag wat mogelijke oplossingen zijn bij een aantal puzzels/raadsels.

De beoordeling van de drie gesprekstaken richt zich behalve op de ‘inhoud’ (voldoen aan de opdracht) op wat beschreven is in de kenmerken van de taakuitvoering bij gesprekken op 1F (RKP).

a. gespreksstrategie en inhoud bepalen:

• Stelt de leerling tijdens het gesprek vragen ter verduidelijking en grijpt die terug op voorgaande gespreksbijdragen; heeft de leerling zich voldoende voorbereid op het gesprek?

b. afstemming op doel:

• Wordt het doel behaald (bijv. in een informatief gesprek: telefonisch een afspraak maken of om informatie vragen)? Levert de leerling (in een besluitvormend gesprek) een actieve bijdrage aan het gespreksdoel, past de leerling diens taalgebruik aan aan het gespreksdoel (informeren, overleggen, overtuigen)?

c. afstemming op gesprekspartner(s):

• Past de leerling woordgebruik en zinsbouw aan aan de situatie (formeel/informeel) en de gesprekspartner?

d. beurten nemen en bijdragen aan samenhang:

• Neemt de leerling voldoende de beurt (voldoende bijdragen, voorstellen doen), neemt/geeft die de beurt op het goede moment, laat die de ander uitpraten?

e. woordgebruik:

• Is de woordenschat toereikend om het gesprek te kunnen voeren, worden specifieke inhoudswoorden (woorden met een 'rijke' betekenis: zelfstandige naamwoorden, zelfstandige werkwoorden, bijwoorden en bijvoeglijke naamwoorden) en passende functiewoorden (woorden die zorgen voor een samenhangende zinsstructuur: (on)bepaalde lidwoorden, telwoorden, voornaamwoorden, voorzetsels, voegwoorden en tussenwerpsels) gebruikt en is er sprake van enige variatie in het woordgebruik?

f. non-verbale communicatie:

• Past het non-verbale gedrag van de leerling bij de verbale boodschap? In hoeverre worden lichaamshouding, oogcontact en gebaren (bewust) ingezet om eigen bijdrage te ondersteunen?

g. (spreektechniek en zinsbouw):

• Spreekt de leerling verstaanbaar en zijn de zinsconstructies redelijk accuraat?

Toetsing van luistervaardigheid via directe meting

Luisteren is een vaardigheid die leerlingen in staat stelt informatie van leerkrachten, radio, televisie, antwoordapparaten, omroepsystemen, internet en andere mondelinge bronnen te volgen. Leerlingen moeten hierbij een voorstelling maken van de inhoud en de betekenis van het gesprokene. Daarbij worden zowel relaties tussen (gesproken) tekstdelen onderling (begrijpen) als relaties tussen de (gesproken) tekst en de eigen kennis (interpreteren) gelegd. Dit kan onderwerp specifieke kennis zijn of algemene kennis, zoals kennis over de tekstvorm (bijvoorbeeld een toespraak, een interview of een discussie). Daarnaast doet luisteren altijd een beroep op het concentratievermogen van de luisteraar.

Per (kijk)luistertaak kunnen meerdere, korte fragmenten opgenomen worden, gevarieerd qua genre en onderwerp. De teksten of tekstfragmenten dienen authentiek en rijk van inhoud en goede taalkwaliteit te zijn. Het betreft zowel monologen (bijvoorbeeld een presentatie of een uitleg), dialogen (bijvoorbeeld een interview) als polylogen (bijvoorbeeld een discussie). Bij de meting van luistervaardigheid is het niet de bedoeling dat teksten die bestemd zijn om gelezen te worden, voor te lezen. Omdat luisteren steeds vaker kijkluisteren is, waarbij beelden het luisteren kunnen ondersteunen, worden zowel audiovisuele fragmenten als audiofragmenten in de toets opgenomen.

De teksten voldoen aan de kenmerken zoals omschreven op niveau 1F van het RKP. Het niveauverschil tussen 1F en 2F komt bij luistervaardigheid mede tot uiting in de gebruikte teksten/tekstfragmenten. Behalve in de gebruikte teksten komt het niveauverschil tot uiting in de kenmerken van de taakuitvoering die worden geoperationaliseerd in de opgaven die de leerlingen moeten maken. De opgaven betreffen bijvoorbeeld meerkeuzevragen en kort-open-antwoordvragen; indien de opgaven (ook) schriftelijk worden verstrekt, wordt daarbij rekening gehouden met de leesvaardigheid van de leerlingen.

a. begrijpen en interpreteren

Bij begrijpen gaat het om het verwerken van de letterlijke informatie en is de gevraagde informatie expliciet in de tekst te horen. Bij begrijpen gaat het ook om linguïstische vaardigheden: herkennen en begrijpen van de samenhang tussen zinnen en m.b.v. verwijswoorden, voegwoorden, synoniemen en hyponiemen betekenis geven aan zinnen en hun onderlinge verbanden. Bij interpreteren gaat het om het interpreteren van informatie en het trekken van conclusies: kunnen leerlingen specifieke informatie en meningen uit de gesproken tekst interpreteren? Het gaat hier ook om de vraag in hoeverre leerlingen de structuur van een gesproken tekst kunnen doorgronden. Omdat begrijpen en interpreteren niet altijd duidelijk van elkaar te scheiden zijn en geregeld in elkaar overlopen en bovendien in het RKP één categorie vormen, worden zij hieronder samengenomen.

In de rubriek begrijpen en interpreteren zijn de volgende opgaven ondergebracht:

• Opgaven die vragen naar specifieke inhoudselementen die expliciet in de tekst aan de orde worden gesteld, zoals (hoofd)personen, voorwerpen, plaats van handeling, tijdsperioden of essentiële tekstelementen, zoals relevante details in de tekst, feiten en meningen.

• Opgaven die vragen naar de globale inhoud van een tekst of een tekstdeel.

• Opgaven waarbij expliciete inhoudelijke en/of structurele elementen verspreid over de tekst of over grotere tekstdelen moeten worden verbonden: onderwerp, hoofdlijnen, hoofdgedachte, hoofd- en bijzaken, hoofdpersoon.

• Opgaven waarbij leerlingen de tekstsoort moeten herkennen.

• Opgaven die vragen naar eenvoudige, expliciete verbanden tussen zinnen (tegenstellingen, vraag en antwoord, vergelijkingen).

• Opgaven die vragen naar complexere, expliciete verbanden over grotere tekstdelen heen (bijv. reden en verklaring, oorzaak en gevolg, middel en doel) of naar chronologie van gebeurtenissen (verhalende tekst) of opeenvolgende stappen (instructie).

Regeling
Regeling toetswijzer doorstroomtoets PO Bonaire
Soort
ZBO-regeling
Geldend vanaf
01-08-2025
BWB-id
BWBR0050775
Versie
2025-08-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl