4.6.1 — Toetsinhouden lezen (deel 1) Regeling toetswijzer doorstroomtoets PO Bonaire
Toetsinhouden lezen
Subdomein Zakelijke teksten
a. leesdoel en publiek bepalen
Bij het kenmerk leesdoel bepalen gaat het erom dat leerlingen zich van tevoren afvragen met welk doel ze de tekst willen/moeten lezen (wat ze met de informatie willen/moeten doen) en welke leesmanier daarbij past. Wanneer je bijv. te weten wilt komen hoe je een taart moet maken, moet je de instructies precies, stap-voor-stap lezen. Wanneer je bij het bekijken van een overzicht antwoord op een bepaalde vraag wilt krijgen, lees je zoekend, op zoek naar tekstgedeelten die een antwoord op die vraag bevatten. Bij publiek bepalen gaat het erom dat leerlingen vaststellen voor welk publiek de auteur de tekst heeft bedoeld (bijv. jongeren, sportliefhebbers, ouderen). Voor welk publiek een tekst bedoeld is, kun je zien aan het onderwerp (tekst over hiphop, tekst over schilderen van je huis), het taalgebruik (teksten voor jongeren bevatten vaak veel eigentijdse en nieuwe woorden, de lezer wordt met ‘je’ aangesproken), de bron en de lay-out (in jongerentijdschriften zie je veel illustraties, grote koppen, veel kleuren en lettertypen; teksten voor volwassenen zien er vaak formeler uit en bevatten vaak minder witregels, minder kleur, kleinere letters, langere zinnen, meer tekst, meer minder-frequente woorden en minder afbeeldingen).
In de rubriek leesdoel en publiek bepalen zijn de volgende opgaven ondergebracht:
• Opgaven die een bepaald leesdoel meegeven en vragen welke tekstvorm het beste kan worden geraadpleegd of opgaven die leerlingen een tekst voorleggen en vragen welk leesdoel en/of leesmanier hier het beste bij past.
b. begrijpen en interpreteren
Bij het kenmerk begrijpen gaat het om het verwerken van informatie die een schrijver in de tekst vermeldt. We noemen dat tekstgestuurde verwerking: centraal staan verwerking van inhoudelijke elementen en relaties tussen tekstdelen. De gevraagde informatie is expliciet in de tekst aanwezig en het antwoord op de vraag staat letterlijk in de tekst of leerlingen kunnen door te parafraseren de vraag beantwoorden. Tijdens het lezen wordt deze tekstgestuurde verwerking gelijktijdig en in samenhang met kennisgestuurde verwerking ingezet: interpreteren. De lezer past de nieuwe informatie in in reeds aanwezige kennis over het onderwerp. Tijdens het lezen is de lezer dus zowel met begrijpen (tekstgestuurd) als met interpreteren (kennisgestuurd) bezig. Omdat beide vormen niet altijd strikt te scheiden zijn en in het RKP ook één categorie vormen, worden ze hieronder samengenomen.
In de rubriek begrijpen en interpreteren zijn de volgende opgaven ondergebracht:
• Opgaven die vragen naar expliciete verbanden binnen of tussen zinnen. Bijvoorbeeld het gebruik van signaalwoorden, het geven van een of meerdere voorbeelden, het maken van een vergelijking, het geven van tegenstellingen, het verband tussen vraag en antwoord, de volgorde van eenvoudige instructies en verwijzingen binnen de tekst of reden-verklaring, oorzaak-gevolg, middel-doel of tijdsopeenvolgingen van gebeurtenissen.
• Opgaven die vragen naar expliciete overkoepelende relaties over grotere tekstgedeelten (een of meerdere alinea’s) heen. Het gaat dan bijvoorbeeld om deel-/geheelrelaties, mededelingen en uitwerkingen ervan, generalisaties met bijbehorende voorbeelden.
• Opgaven die vragen naar specifieke, expliciet genoemde inhoudselementen in de tekst, zoals hoofdgedachte of doel van de schrijver.
• Opgaven waarbij expliciete en impliciete informatie uit de tekst met elkaar wordt verbonden, bijvoorbeeld opgaven over het onderwerp, de hoofdlijnen, het doel van de schrijver. Ook opgaven waarin informatie in de tekst met elkaar moet worden vergeleken, behoren hiertoe.
• Opgaven waarbij de tekstsoort en de kenmerken daarvan moeten worden herkend.
• Opgaven die vragen naar de betekenis van de tekst, naar de bedoelingen en gevoelens van de schrijver of naar diens houding ten opzichte van een gebeurtenis.
• Opgaven waarin gevraagd wordt naar de adequaatheid van de titel, waarbij conclusies moeten worden getrokken.
c. woordenschat en strategieën
Het gaat er hier om of leerlingen in staat zijn de betekenis van woorden en woordgroepen uit de tekst te halen. Het gaat dus uitdrukkelijk niet om het toetsen van woordkennis op zich.
In de rubriek woordenschat en strategieën zijn de volgende opgaven ondergebracht:
• Opgaven die vragen naar het afleiden van de betekenis van een woord of woordgroep in de tekst.
• Opgaven die vragen naar de betekenis van een woord of woordgroep en waarvan de betekenis expliciet in de tekst is weergegeven.
d. samenvatten
Samenvatten is een vaardigheid die is gerelateerd aan leren studeren. Na het begrijpen en interpreteren van de informatie moet er iets mee worden gedaan: hoofd- en bijzaken moeten worden onderscheiden, de tekst moet worden verkort en de informatie moet op de een of andere manier opgeslagen worden om deze op een ander moment paraat te hebben, bijvoorbeeld voor een proefwerk, een werkstuk of een mondelinge presentatie. Informatie kan daartoe bewerkt worden in de vorm van herlezen, onderstrepen, aantekeningen maken, samenvatten of schematiseren.
In de rubriek Samenvatten zijn de volgende opgaven ondergebracht:
• Opgaven waarbij een tekst of een alinea in een verkorte lopende tekst of in een passende titel of tussenkop moet worden samengevat.
• Opgaven waarbij een tekst of een alinea in een concreet beeld moet worden samengevat.
• Opgaven waarbij een gegeven schema (bijv. lineair schema, boom- of matrix-structuur) moet worden in- of aangevuld of waarbij het meest adequate schema voor de tekst in z’n geheel moet worden geselecteerd.
e. opzoeken
Bij het opzoeken van informatie gaat het om efficiënt en systematisch opsporen van specifieke informatie in schriftelijke of elektronische informatiebronnen (o.a. tijdschriften, kranten, reclame- en voorlichtingsmateriaal, brochures, radio en tv-gidsen, bedrijven- en overheidsgidsen, reisgidsen, telefoongidsen, handleidingen, bijsluiters, beeldbanken, websites en woordenboeken) om deze vervolgens te gebruiken of toe te passen. Om de informatie te vinden zullen lezers selectief, flexibel en doelgericht te werk moeten gaan. Soms zullen ze de informatie grondig lezen, soms vooral scannend. Doelgericht zoeken naar informatie vereist specifieke vaardigheden, waarbij de keuze en combinatie van de juiste informatiebronnen en het doorgronden van de structuur van de informatiebron een centrale plaats innemen. Om de veelheid van gedrukte en digitale informatiebronnen te kunnen hanteren moeten lezers weten dat informatie alfabetisch geordend is of op een andere logische manier is ingedeeld, bijvoorbeeld op plaats of onderwerp. Daarnaast is het kunnen formuleren van zoekvragen, trefwoorden en synoniemen van belang.
Tot de rubriek opzoeken behoren de volgende opgaven:
• Opgaven waarbij het kiezen van een geschikte informatiebron centraal staat. Daarbij wordt kennis van de globale inhoud van verschillende informatiebronnen bekend verondersteld.
• Opgaven die gericht zijn op het kiezen van de juiste ingang tot een informatiebron. Bij de ingang tot een informatiebron valt te denken aan: inhoudsopgaven, registers, lijsten van afbeeldingen, bibliografische gegevens, indelingen op grond van datum, plaats, rubriek of functie en typografische of inhoudelijke indelingen van ‘links’ op websites.
• Opgaven waarbij trefwoorden moeten worden geselecteerd en/of een relevante zoekvraag bij een informatievraag moet worden bepaald. Leerlingen moeten bijvoorbeeld kernbegrippen kiezen en vaststellen welke als trefwoord of zoekvraag kunnen dienen. Ook het omzetten van trefwoorden in synoniemen of verwante (boven- of onderschikkende) begrippen behoort tot deze rubriek.
- Regeling
- Regeling toetswijzer doorstroomtoets PO Bonaire
- Soort
- ZBO-regeling
- Geldend vanaf
- 01-08-2025
- BWB-id
- BWBR0050775
- Versie
- 2025-08-01_0