3.4 — Minimale inhoudelijke kwaliteitseisen (deel 1) Regeling toetswijzer doorstroomtoets PO Bonaire
Minimale inhoudelijke kwaliteitseisen
De doorstroomtoets po Bonaire dient te voldoen aan de volgende inhoudelijke kwaliteitseisen:
Toetsopgaven op niveau 1F en 1S
De doorstroomtoets po moet voor rekenen zowel 1F als 1S opgaven bevatten. Ongeacht de toetsvorm, moet de toets het mogelijk maken om voor elke leerling – met uitzondering van de leerlingen die vallen onder de ontheffingsgrond – uitspraken te doen ten aanzien van de beheersing van het 1F niveau en het 1S niveau. Dat betekent dat de opgaven van de doorstroomtoets po Bonaire breed zijn samengesteld qua moeilijkheid; tenminste de inhouden van 1F en 1S moeten in de doorstroomtoets zijn vertegenwoordigd.
Relatieve verdeling domeinen
De relatieve verdeling van opgaven over de domeinen is als volgt:
• domein Getallen: ten minste 30 procent en maximaal 40 procent van de gehele toets;
• domein Verhoudingen: ten minste 20 procent en maximaal 30 procent;
• domein Meten en Meetkunde: ten minste 20 procent en maximaal 30 procent;
• domein Verbanden: ten minste 15 procent en maximaal 20 procent.
In de verantwoordingsdocumenten van de doorstroomtoets po Bonaire wordt de onderverdeling van opgaven over de domeinen gegeven. Daarbij geldt dat elke opgave onder één (primair) domein wordt geplaatst.
Inhoudsbeschrijving
Voor de domeinen zijn de beschrijvingen op niveau 1F en 1S in het Referentiekader leidend. Het gaat daarbij om de inhouden uit het Referentiekader die in de tabel hieronder zijn opgenomen. De asterisk (*) in de tabel geeft aan dat hiervoor belangrijke aandachtspunten voor de Bonairiaanse situatie en context zijn, welke in de paragraaf 'Domein Meten en Meetkunde specifieke aandachtspunten' verderop in het hoofdstuk worden toegelicht.
A Notatie, taal en betekenis | B Met elkaar in verband brengen | C Gebruiken
Getallen | – Uitspraak, notatie en betekenis van gehele getallen, breuken en decimale getallen – Uitspraak, notatie en betekenis van symbolen en relaties | – Getallen en getalsrelaties – Structuur en samenhang | – Memoriseren, automatiseren – Hoofdrekenen (notaties toegestaan) – Hoofdbewerkingen (+,-, x,:) op papier uitvoeren met gehele getallen en decimale getallen – Bewerkingen met breuken (+,-, x,:) op papier uitvoeren – Berekeningen uitvoeren om problemen op te lossen met gehele getallen, breuken en decimale getallen – Rekenmachine op een verstandige manier inzetten
Verhoudingen | – Uitspraak, notatie en betekenis van breuken, procenten en verhoudingen, – Uitspraak, notatie en betekenis van symbolen en relaties | – Verhouding, procent, breuk, decimaal getal, deling, 'deel van' met elkaar in verband brengen | – In de context van verhoudingen berekeningen uitvoeren, ook met procenten en verhoudingen
Meten & Meetkunde | – Uitspraak, notatie en betekenis van maten voor lengte, oppervlakte, inhoud en gewicht, temperatuur, tijd en geld* – Uitspraak, notatie en betekenis van meetkundige symbolen en relaties – Meetinstrumenten | – Meetinstrumenten gebruiken – Structuur en samenhang tussen maateenheden – Verschillende representaties, 2D en 3D | – Meten en rekenen met maten – Rekenen in meetkundige situaties
Verbanden | Analyse en interpretatie van informatie uit tabellen, grafische voorstellingen en beschrijvingen – Kennis van veel voorkomende diagrammen, tabellen en grafieken | – Verschillende voorstellingsvormen met elkaar in verband brengen – Gegevens verzamelen, ordenen en weergeven – Patronen beschrijven | – Tabellen, diagrammen en grafieken gebruiken bij het oplossen van problemen – Rekenvaardigheden gebruiken binnen het domein verbanden
De relatieve verdeling van opgaven over de onderscheiden onderdelen: Notatie, taal en betekenis (A); Met elkaar in verband brengen (B); en Gebruiken (C) is als volgt:
• A: geen minimum;
• B: ten minste 20 procent van de gehele toets;
• C: ten minste 30 procent van de gehele toets.
Voor A is geen minimum vereist omdat deze inhouden ook kunnen worden gebruikt en toegepast bij de inhouden van B en C.
In de verantwoordingsdocumenten van de doorstroomtoets po Bonaire wordt de onderverdeling van opgaven over de onderdelen A, B en C gegeven en toegelicht. Daarbij geldt dat elke opgave onder één (primair) onderdeel wordt geplaatst, met uitzondering van onderdeel A.
Taalgebruik
Het taalgebruik dat gehanteerd wordt voor de rekenopgaven dient afgestemd te worden op de groep leerlingen voor wie de toets bestemd is. In het geval van de doorstroomtoets po Bonaire betreft het taalgebruik een complex fenomeen, waarin het Nederlands de instructietaal is, maar als vreemde taal wordt getoetst. Minder algemeen gangbare begrippen en woorden kunnen worden verduidelijkt in woorden dan wel met geschikt beeldmateriaal. Hierdoor wordt het taalgebruik een minder belemmerende factor bij het omzetten van de context naar een rekenwiskundig probleem. Een klassiek voorbeeld is in rekenopgaven de begrippen ‘stad’ en ‘dorp’. Leerlingen op Bonaire moeten deze woorden wel kennen, maar deze begrippen worden in de praktijk zelden tot nooit daadwerkelijk gebruikt. Het woord ‘bario’ (buurt, wijk) is in deze Bonairiaanse context wel herkenbaar en geniet daarom de voorkeur. Laagfrequente rekenbegrippen (bijvoorbeeld kwartaal) worden gebruikt als het nodig is om het toetsdoel te toetsen.
Opgaven met en zonder context
In de doorstroomtoets po Bonaire moeten zowel opgaven met context als zonder context (zogenaamde ‘kale opgaven’) opgenomen worden. Een contextopgave is een opgave met benoemde getallen en betekenisvol voor de leerlingen.
Bij een contextopgave wordt de probleemoplossingscyclus van figuur 1 volledig doorlopen. Dit is schematisch weergegeven in figuur 2a. Een kale opgave is een opgave zonder benoemde getallen en waarbij alleen stap 4 van het oplossingsproces wordt doorlopen (zie ook figuur 2b). Onder kale opgaven worden ook omzettingen in het metriek stelsel verstaan die alleen rechtstreeks via stap 4 worden opgelost.
De context in de opgaven moet betekenisvol en voorstelbaar zijn voor de doelgroepen op Bonaire. Daar wordt onder verstaan: dat waar leerlingen mee bekend zijn, ook als ze het niet zelf meemaken. Denk bijvoorbeeld aan een groot inwoneraantal, grote temperatuurverschillen tot onder de 0, andere valuta en het maken van een vliegreis. Daarnaast dienen de gebruikte namen in de context bij voorkeur herkenbare namen op Bonaire te zijn.
In de doorstroomtoets is minimaal 20% en maximaal 35% van de opgaven kaal. De rest van de opgaven zijn contextopgaven. De toetsconstructeur beschrijft in diens verantwoordingsdocument wat de verdeling is van contextopgaven en kale opgaven.
Domein Meten en Meetkunde specifieke aandachtspunten
Binnen het domein Meten en Meetkunde horen de onderdelen temperatuur, tijd en geld. Op Bonaire is er in de dagelijkse context geen sprake van grote temperatuurverschillen. Leerlingen moeten hier wel bekend mee zijn en berekeningen mee uit kunnen voeren. Voor het onderdeel tijd is een aandachtspunt dat tijd een ander soort rol speelt in de Bonairiaanse situatie. Leerlingen zijn minder gericht op horloges en klokkijken doordat hun dagelijkse situatie dat minder van ze vraagt dan leerlingen in Europees Nederland. Daarnaast is het belangrijk dat tijden op Bonaire op een andere manier worden benoemd dan in Europees Nederland. 15:40 uur wordt bijvoorbeeld benoemd als ’20 minuten voor 4 uur’. Ten aanzien van het onderdeel geld is de munteenheid op Bonaire de Amerikaanse dollar. Deze eenheid dient bij voorkeur bij het onderdeel geldrekenen gebruikt te worden, behalve als het gaat om het omrekenen van koersen.
Het gebruik van uitrekenpapier
In een doorstroomtoets is het voor de leerlingen toegestaan bij alle opgaven uitrekenpapier te gebruiken.
Gebruik en verstandig inzetten van de rekenmachine
- Regeling
- Regeling toetswijzer doorstroomtoets PO Bonaire
- Soort
- ZBO-regeling
- Geldend vanaf
- 01-08-2025
- BWB-id
- BWBR0050775
- Versie
- 2025-08-01_0