B — Simulatie-examen Regeling examenprogramma machinisten
Simulatie-examen
I. De taken van een machinist, de werkomgeving, de rol en verantwoordelijkheid binnen de spoorwegexploitatie, de professionele en persoonlijke eisen waaraan machinisten dienen te voldoen
a. Inzicht in het belang van nauwkeurigheid bij het uitvoeren van taken en in de
werkmethoden
Dat is geoperationaliseerd als volgt:
de aspirant-machinist toont aan dat hij:
1°. het belang kent van nauwkeurig werken en waarom;
2°. weet wanneer mondeling kan en schriftelijk (European Instructions) moet worden gewerkt.
II. Spoorwegtechnologieën, met inbegrip van de veiligheidsbeginselen die aan de exploitatievoorschriften ten grondslag liggen
a. Kennis van de beginselen, voorschriften en regels inzake de veiligheid van de spoorwegexploitatie
Dat is geoperationaliseerd als volgt:
de aspirant-machinist toont aan dat hij:
1°. weet welke wet- en regelgeving er geldt om de veiligheid op en in het spoor te borgen en de belangrijkste elementen daarvan kent (CBG/NCBG, in dienst/buitendienst/, landelijke/lokale regels met betrekking tot bijvoorbeeld stations en emplacementen en voorschriften/bedrijfsinstructies;
2°. weet welke beveiligingssystemen er zijn en het doel en de toepassing van verschillende systemen kent (in de trein en in de baan);
3°. weet wie de regels, voorschriften en controles bepaalt;
4°. de regels en controles kent voor het voorbereiden/gereedmaken (bijvoorbeeld front- en sluitseinen controleren, rembeproeving, tyfoon beproeven);
5°. de regels en controles kent voor het veilig rijden van treinen: vertrekken, rijden/remmen, aankomen, achteruit rijden/terugzetten, keren/kopmaken en wegzetten/parkeren;
6°. de regels en controles kent voor het veilig uitvoeren van rangeerbewegingen: opdracht/toestemming, snelheid, vrijgave, TRS;
7°. in aangeboden situaties weet wat – in het algemeen – te doen (bijvoorbeeld bij gedoofd front- of sluitsein, storing tyfoon, overwegstoring).
III. Basisbeginselen van de spoorweginfrastructuur
a. Kennis op het gebied van sein- en treinbesturingssystemen
Dat is geoperationaliseerd als volgt:
de aspirant-machinist toont aan dat hij:
1°. het onderscheid tussen en globaal de kenmerken van beveiligingssystemen met en zonder automatisch blokstelsel op de vrije baan kent;
2°. globaal de kenmerken kent van beveiligingssystemen op stations en emplacementen (bijvoorbeeld NX, EBP, EBS);
3°. weet hoe het seinstelsel langs de baan is opgebouwd, kennis heeft van opvolging en onderling verband en inzicht heeft in de betekenis van seinen;
4°. weet wat hij moet doen bij gedoofde on onjuiste seinen;
5°. de functie en kenmerken van het systeem van ATB kent;
6°. de functie en kenmerken van het systeem van ERTMS/ETCS kent.
IV. Basisbeginselen van operationele communicatie
a. Kennis van het belang van communicatie en de communicatiemiddelen en -procedures
Dat is geoperationaliseerd als volgt:
de aspirant-machinist toont aan dat hij:
1°. weet wat wordt verstaan onder veiligheidscommunicatie en tussen wie deze communicatie plaatsvindt;
2°. weet wat het belang is van veiligheidscommunicatie en wat het belang is van het goed verstaanbaar zijn en wat het belang is van en kort en zakelijk communiceren;
3°. de gespreksregels en dienstuitdrukkingen kent;
4°. weet wat te doen bij/na een algemene oproep en noodoproep;
5°. het belang van het juist gebruik van de Regeling communicatieprocedures en het Boek van Europese en nationale instructies kent (met formulieren voor European Instructions);
6°. het belang van het spellen van getallen en woorden kent en weet dat het NATO-alfabet daarbij een verplicht hulpmiddel is;
7°. de voorschriften voor het gebruik van GSM-R, portofoon, eigen mobiele telefoon kent.
b. Inzicht in de situaties/voorvallen waarin moet worden gecommuniceerd
Dat is geoperationaliseerd als volgt:
de aspirant-machinist toont aan dat hij:
1°. kan beoordelen in welke situaties of bij welke oorzaken hij met welke functionaris contact opneemt (onder normale omstandigheden en bij afwijkende situaties, storingen en bij direct dreigend gevaar);
2°. weet in welke situaties of bij welke oorzaken hij een European Instruction of opdracht kan krijgen en welke mogelijkheden hij heeft om deze situaties te beoordelen.
c. Inzicht in communicatiemethoden
Dat is geoperationaliseerd als volgt:
de aspirant-machinist toont aan dat hij weet op welke manieren met hem gecommuniceerd kan worden (mondeling direct of via telefoon, portofoon, GSM-r, via European Instructions, IAM, papier/tablet) en hoe dat op de juiste manier te doen.
V. Treinen, de samenstelling daarvan en de technische eisen voor tractievoertuigen, wagons, rijtuigen en ander rollend materieel
a. Inzicht in het remsysteem en de prestatieberekening
Dat is geoperationaliseerd als volgt:
de aspirant-machinist toont aan dat hij:
1°. globaal weet hoe het remsysteem is opgebouwd;
2°. verschillende remsystemen en kenmerken ervan kan onderscheiden (bijvoorbeeld zelfwerkende doorgaande en toegevoegde);
3°. verschillende soorten remmingen kan onderscheiden (bijvoorbeeld eerste remming, bedrijfsremming, volremming, snelremming);
4°. de functie van de P/G-kraan kent en de betekenis van de standen;
5°. weet wat het rempercentage inhoudt en waartoe dit dient;
6°. weet welke factoren van invloed zijn op het remmen en wat te doen bij afwijkingen;
7°. het belang en de elementen van een rembeproeving kent.
b. De treinsnelheid kunnen bepalen
Dat is geoperationaliseerd als volgt:
de aspirant-machinist toont aan dat hij:
1°. weet welke factoren van invloed zijn op de treinsnelheid (rempercentage, categorie A of B, stand P/G kraan, baanvak, enzovoort);
2°. verschillende soorten snelheid en de betekenis/gevolgen ervan kent.
c. De werking en het doel van het treinbeheersysteem kennen
Dat is geoperationaliseerd als volgt:
de aspirant-machinist toont aan dat hij inzicht heeft in het geheel van voorzieningen dat ervoor zorgt dat de trein onder controle blijft (rem, dodeman installatie, noodrem, ATB).
VI. Algemene risico’s bij de exploitatie van de spoorwegen
a. Kennis van veiligheidsincidenten en weten hoe men zich dient te gedragen/dient te reageren
Dat is geoperationaliseerd als volgt:
de aspirant-machinist toont aan dat hij:
1°. kennis heeft van de kenmerken van veiligheidsincidenten en deze herkent (storingen, verstoringen, calamiteiten), bijvoorbeeld glad spoor, ijzel-/rijpafzetting, wegvallen bovenleidingspanning, defecte bovenleiding, wisselstoring, overwegstoring, spoorspatting, spoorverzakking;
2°. kennis heeft van de kenmerken van incidenten met gevaarlijke stoffen en deze kenmerken herkent;
3°. weet welke procedures/European Instructions hij moet volgen bij verschillende incidenten (of als het spoor niet normaal bereden kan worden);
4°. weet hoe de gezagsverhouding is bij incidenten en hoe hij zich moet opstellen (als getuige, verdachte, betrokkene).
VII. Basisbeginselen van de fysica
a. Kennis van de factoren die de acceleratie- en remprestaties beïnvloeden (weersomstandigheden, remuitrusting, adhesieproblemen, zandstrooien enzovoort)
Dat is geoperationaliseerd als volgt:
de aspirant-machinist toont aan dat hij:
1°. de factoren kent die van invloed zijn op het versnellen en remmen, met name in afwijkende situaties, en weet wat te doen en waarom;
2°. weet wanneer hij mag of moet zandstrooien;
3°. weet wat het gevolg is van glad spoor.
- Regeling
- Regeling examenprogramma machinisten
- Soort
- Ministeriële regeling
- Geldend vanaf
- 01-01-2025
- BWB-id
- BWBR0050604
- Versie
- 2025-01-01_0