wetzoeker

4.4 — Toezicht op bescherming van namen en graden Besluit vaststelling beleidsregel Onderzoekskader 2024 voor het toezicht op het hoger onderwijs

Toezicht op bescherming van namen en graden

Om misleiding van studenten en werkgevers tegen te gaan en het aanzien van het hoger onderwijs te waarborgen, mogen organisaties niet zomaar de naam universiteit of hogeschool gebruiken en mogen niet onterecht graden worden verleend. Artikelen 1.22, 1.23 en 1.24 van de WHW regelen de voorwaarden voor het gebruik van de naam universiteit en hogeschool, artikel 15.7, eerste lid, van de WHW regelt die voor het verlenen van graden. Bij het overtreden van deze artikelen kan een bestuurlijke boete opgelegd worden, op grond van artikel 15.8 van de WHW. Uit dat artikel blijkt verder dat een instelling voor hoger onderwijs ook voor onjuiste of onvolkomen informatieverstrekking aan (aspirant-)studenten (artikel 7.15 van de WHW) een bestuurlijke boete kan krijgen. Onder het toezicht op de bescherming van namen en graden vallen ook alle niet-erkende aanbieders van onderwijs (artikel 15o van de WOT).

De werkwijze bij het toezicht op de bescherming van namen en graden volgt deels dezelfde stappen als het toezicht op naleving door individuele instellingen voor hoger onderwijs.

Naar aanleiding van de signalenanalyse voert de inspectie een verkenning uit om te zien of er sprake is van een mogelijke overtreding. Bij een mogelijke overtreding van de artikelen 7.15, 1.21 en 1.22 van de WHW start de inspectie eerst een zogeheten minnelijk traject. Dit heeft tot doel de overtreder een kans te bieden de mogelijke overtreding te beëindigen. In het minnelijk traject zoekt de inspectie contact met de overtreder. Dit gebeurt in eerste instantie schriftelijk, in latere fases worden soms ook telefonisch of online gesprekken gevoerd.

Als blijkt dat er geen herstel onder eigen regie plaatsvindt, volgt een onderzoek. Bij overtredingen waarbij onterecht graden zijn verleend (artikel 15.7 van de WHW) – en herstel dus niet meer mogelijk is – gaan we direct over tot onderzoek. In het onderzoek wordt opnieuw de stand van zaken opgemaakt en de niet-naleving onderbouwd. De bevindingen en oordelen leggen we vervolgens vast in een boeterapport.

15 Een rapport als in artikel 5:48 van de Awb.

Het bestuur heeft conform artikel 20, derde lid, van de WOT vóór vaststelling gelegenheid om kennis te nemen van het rapport en met de inspectie overleg te voeren over de inhoud ervan. De opmerkingen van de instelling voor hoger onderwijs verwerkt de inspectie naar eigen oordeel om het rapport vervolgens vast te stellen. Wanneer in het overleg geen overeenstemming is bereikt over door het bestuur gewenste wijzigingen van het rapport, wordt de zienswijze van het bestuur conform artikel 20, vierde lid, van de WOT in een bijlage bij het inspectierapport opgenomen. Het volledige rapport maken we, conform artikel 21, eerste lid, van de WOT in de derde week na vaststelling openbaar en publiceren we op onze website.

Het is uiteindelijk de Minister, of de namens de Minister gemandateerde, die een boete kan opleggen voor onrechtmatig gebruik van de naam universiteit of hogeschool, het onrechtmatig verlenen van graden of onjuiste of onvolkomen informatieverstrekking.

Regeling
Besluit vaststelling beleidsregel Onderzoekskader 2024 voor het toezicht op het hoger onderwijs
Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
01-01-2025
BWB-id
BWBR0050360
Versie
2025-01-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl