7 — Beoordeling en verdeling beschikbare middelen Besluit vaststelling beleidsregels en subsidieplafond Subsidieprogramma Verantwoord Ondernemen
Beoordeling en verdeling beschikbare middelen
De bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht, het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 zijn onverkort van toepassing op de beoordeling van aanvragen en de uiteindelijke subsidieverstrekking in het kader van dit subsidieprogramma. De aanvragen worden beoordeeld met inachtneming van deze regelgeving en overeenkomstig de maatstaven die in dit subsidieprogramma zijn neergelegd.
De aanvragen worden beoordeeld op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. Vanaf het moment dat aannemelijk is dat de middelen op basis van de beoordeling van eerder binnengekomen aanvragen zullen worden uitgeput, wordt de behandeling van later binnengekomen aanvragen aangehouden. Indien blijkt dat eerdere aanvragen worden afgewezen, zullen de latere aanvragen in behandeling worden genomen, op volgorde van binnenkomst.
Om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen dient de aanvraag te voldoen aan de hiervoor, in het bijzonder in paragraaf 4 tot en met 6, opgenomen vereisten. Slechts de aanvragen die daaraan voldoen worden inhoudelijk beoordeeld op kwaliteit aan de hand van de hierna volgende criteria. Aan alle criteria moet eveneens in voldoende mate worden voldaan om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie.
De volgende criteria zijn van toepassing:
1. Relevantie
1.1 Het project zet in op het bestrijden en voorkomen van kinderarbeid en/of het verbeteren van arbeidsomstandigheden en/of het realiseren van een leefbaar loon van lokale werknemers of leefbaar inkomen van lokale toeleveranciers in de productielanden, eventueel in combinatie met vergroeningsmaatregelen; hiermee draagt het bij aan de doelstelling van het subsidieprogramma: sociale verduurzaming en vergroening van internationale waardeketen(s).
1.2 Het project heeft een positief effect op (een groot aantal) begunstigden van het project, zoals kleine toeleveranciers/producenten, boeren, ouders, kinderen of lokale gemeenschappen.
1.3 Het hogere management van de betrokken ondernemingen is bij het project betrokken en is bereid de bevindingen/conclusies uit het lokale impactonderzoek te integreren en relevante bedrijfsprocessen en procedures aan te passen (integratie van duurzaamheids- en inkoopdoelstellingen) om bij te dragen aan de sociale verduurzaming en vergroening van de internationale waardeketen.
1.4
a) De projectresultaten worden zo breed mogelijk gedeeld (disseminatie) en b) dragen daarmee bij aan het bestrijden en voorkomen van sociale misstanden in de internationale waardeketen(s) op locatie, in de sector en in het algemeen.
2. Projectopzet
2.1 Het projectplan is voldoende duidelijk, logisch en gespecificeerd en technisch uitvoerbaar.
2.2 De projectactiviteiten zijn voldoende vernieuwend voor de onderneming en/of de context (land/sector) waarin ze worden toegepast.
2.3 De begroting van het project staat in redelijke verhouding tot de beschreven aard, omvang en resultaten van het project.
2.4 Er bestaat een voor het project logische verdeling van subsidiegelden over de partners in relatie tot de activiteiten die ze in het project uitvoeren.
2.5
a) De activiteiten zijn voldoende lokaal geborgd, en b) er worden voldoende maatregelen lokaal getroffen om het project succesvol op te zetten en uit te voeren.
2.6
a) Het project stimuleert samenwerking tussen de verschillende actoren in de keten en b) betrekt lokale ketenpartners en relevante externe stakeholders actief bij de projectuitvoering (om lokaal eigenaarschap en verankering van de maatregelen te waarborgen).
3. Partnerschap
3.1 De partners beschikken over voldoende (aantoonbare) relevante ervaring en kennis om het project succesvol te kunnen uitvoeren.
3.2 De partners beschikken over voldoende personele en financiële capaciteit om het project succesvol te kunnen uitvoeren.
4. Lokaal impactonderzoek (fase A)
4.1 Het impactonderzoek gaat verder op de risicoanalyse die reeds door de aanvrager is uitgevoerd en bij de aanvraag is ingediend. Deze risicoanalyse voldoet aan de volgende vereisten:
a) Er is bepaald waar in de ketens (landen, regio’s, toeleveranciers, sectoren) zich de hoogste sociale risico’s voordoen. Op basis daarvan zijn prioriteiten gesteld waar de problemen het best aangepakt kunnen worden, rekening houdend met de kans op het vóórkomen en de ernst ervan en de invloed die de onderneming kan uitoefenen op de situatie.
b) Er is zicht op de kansen die het aanpakken van de sociale risico’s en/ of misstanden biedt voor de Nederlandse en lokale ondernemingen en hun toeleveranciers, maar ook welke weerstanden er kunnen zijn tegen het aanpakken en mogelijke oorzaken van deze weerstanden.
c) De analyse van risico’s in de keten is indien nodig uitgevoerd in samenwerking met experts met bewezen expertise op het vlak van (het) relevante sociale thema(s): kinderarbeid, leefbaar loon/inkomen en/of arbeidsomstandigheden en in consultatie met lokale stakeholders.
4.2
a) In het voorgestelde impactonderzoek wordt adequaat aandacht besteed aan de verschillende onderdelen zoals beschreven in paragraaf 4.5. (subsidiabele activiteiten). b) De onderzoeksopzet moet voldoende vertrouwen geven dat het onderzoek relevante kwalitatieve en kwantitatieve data zal opleveren op basis waarvan een effectief actieplan opgesteld kan worden om risico’s te voorkomen en misstanden aan te pakken in de implementatiefase.
4.3 Het due diligence onderzoek richt zich op de bedrijfsverbinding en gaat na hoe en in welke mate het handelen van de betrokken ondernemingen direct of indirect bijdraagt aan de risico’s of misstanden in de keten.
5. Opstellen actieplan (fase A)
5.1 Bij het opstellen van het actieplan zijn alle relevante stakeholders betrokken en worden lokale inzichten meegenomen.
In geval er subsidie wordt verleend, wordt het door de subsidieontvanger in te dienen projectplan voor fase B na afronding van fase A in zijn geheel beoordeeld aan de hand van de hierna volgende criteria:
6. Implementatie van actieplan (fase B)
6.1 Het projectplan omvat een relevant actieplan voor de korte termijn (binnen het project) als voor de langere termijn om zowel lokaal de gevonden sociale risico’s en daadwerkelijke misstanden aan te pakken als intern binnen de betrokken ondernemingen due diligence processen te verbeteren. De maatregelen en activiteiten sluiten aan bij de oorzaken van de in fase A vastgestelde sociale risico’s. Daarnaast maakt het actieplan duidelijk wat voor elke partij de incentives zijn voor verduurzaming, welke activiteiten voor capaciteitsopbouw zijn opgenomen, en geeft inzicht in de verdeling van de kosten.
6.2 Er wordt rekening gehouden met de contextfactoren zoals die naar voren komen uit de risicoanalyse en het lokale impactonderzoek.
6.3 Het projectplan integreert inzichten van lokale actoren en sluit waar relevant aan bij bestaande (lokale) activiteiten en initiatieven.
6.4 De gehanteerde monitoring en effectmeting systematiek is toereikend voor het bewaken van de voortgang en de bijsturing ten aanzien van middelen, activiteiten, ‘outputs’, ‘outcomes’ en onderliggende assumpties.
6.5 Er is in het project voldoende aandacht voor andere risico’s op het gebied van IMVO naast de geïdentificeerde sociale risico’s en er is sprake van adequate mitigerende maatregelen die deze risico’s moeten ondervangen.
RVO kan tijdens de inhoudelijke beoordeling advies inwinnen bij externe experts.
- Regeling
- Besluit vaststelling beleidsregels en subsidieplafond Subsidieprogramma Verantwoord Ondernemen
- Soort
- Ministeriële regeling
- Geldend vanaf
- 12-07-2025
- BWB-id
- BWBR0050119
- Versie
- 2025-07-12_0