II.1.4 — Subsidiabele activiteiten Besluit vaststelling beleidsregels en subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma Sectorale Samenwerking IMVO 2024–2029)
Subsidiabele activiteiten
Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie in het kader van de eerste pijler moeten de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd gericht zijn op het toepassen van gepaste zorgvuldigheid, conform de OESO-richtlijnen, voor de sector in kwestie. De activiteiten moeten een directe relatie hebben met de geprioriteerde risico’s door de aanvrager en omstandigheden in productielanden.
In lijn met de OESO-richtlijnen dient het proces van gepaste zorgvuldigheid gebaseerd te zijn op betrokkenheid van stakeholders. Om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie moeten de activiteiten betrekking hebben op thema’s van de OESO-richtlijnen (mensenrechten, arbeid en milieu) en moet bij die activiteiten sprake zijn van het betekenisvol betrekken van stakeholders zoals voorgeschreven in de OESO due diligence handreiking
18 OESO Due Diligence Handreiking (p.52); https://www.oesorichtlijnen.nl/documenten/publicatie/2019/06/06/oeso-due-diligence-handreiking-voor-mvo-nls.
:
‘Niet alle personen en groepen die worden aangemerkt als stakeholders hebben belangen die geschaad kunnen worden door een specifieke activiteit van een onderneming. Het is daarom van belang dat de onderneming de personen en groepen met belangen identificeert met wie rekening moet worden gehouden bij een specifieke activiteit (relevante stakeholders). Due diligence heeft bovendien betrekking op stakeholders die geschaad zijn in hun belangen (getroffen stakeholders) en stakeholders bij wie dat niet is gebeurd maar alsnog kan gebeuren (potentieel getroffen stakeholders). Overigens wegen niet alle belangen even zwaar en hoeven niet alle stakeholders op dezelfde manier te worden behandeld. Stakeholders verschillen dus al naar gelang de onderneming en haar activiteiten.’
Het samenwerkingsverband behoort een plan van aanpak te hebben op basis van een risico- en stakeholderanalyse in de sector. In het plan van aanpak staan de voorziene activiteiten gericht op het uitvoeren van gepaste zorgvuldigheid in sectoraal verband, conform de OESO-richtlijnen.
Dit plan van aanpak wordt ontwikkeld vanuit een IMVO-sectorovereenkomst en is nodig voor de aanvraag voor subsidie. Er kan subsidie worden aangevraagd door een penvoerder namens een sectoraal samenwerkingsverband voor de uitvoering van het plan van aanpak gericht op collectieve gepaste zorgvuldigheid. Daarin is meegenomen:
• Hoe de voorgenomen activiteiten van een samenwerkingsverband aansluiten bij de visie van het sectorale partnerschap waarvan ze onderdeel uitmaken en in welke mate het een verdiepingsslag is t.o.v. een brede risico-analyse in de sector.
• Hoe de activiteiten aansluiten bij de implementatie van gepaste zorgvuldigheid van elke onderneming individueel in het samenwerkingsverband (een nulmeting).
• Welke samenwerkingsverbanden en producten ten aanzien van gepaste zorgvuldigheid in de sector al zijn ontwikkeld en of het (nieuw) gevormde samenwerkingsverband toegevoegde waarde heeft.
• Welke reeds ontwikkelde tools en handreikingen binnen de OESO
19 https://mneguidelines.oecd.org/mneguidelines.
, IMVO-convenanten of andere initiatieven gebruikt gaan worden om de voorgenomen activiteiten voor een of meerdere stappen van gepaste zorgvuldigheid in lijn te brengen met de OESO-richtlijnen.
• Welke sectorspecifieke risico’s er zijn en waarom die mogelijk afwijken van de risico’s genoemd in het KPMG-rapport ‘MVO Sector Risico Analyse’. Aandachtspunten voor dialoog’,
20 KPMG Advisory N.V. (2014); https://open.overheid.nl/documenten/ronl-archief-e2521701-afd6-48d4-8e19-6d6d88ed97bc/pdf.
of een vergelijkbare risicoanalyse, waarbij geldt dat de meest ernstige en waarschijnlijke risico’s worden aangepakt.
• Welke lokale stakeholders worden betrokken bij de voorgenomen activiteiten op gepaste zorgvuldigheid en op welke wijze wordt gegarandeerd dat dit gebeurt op een betekenisvolle manier. Daarbij wordt gekeken naar een mogelijk verband met programma’s die met behulp van ondersteuning van het Ministerie van Buitenlandse Zaken door maatschappelijke organisaties in productielanden worden uitgevoerd
21 Dit wordt aan de hand van voorbeelden toegelicht op www.rvo.nl/sectorale-samenwerking.
.
• Hoe sociale dialoog een onderdeel vormt van de voorgenomen activiteiten binnen de waardeketen.
• Hoe een genderperspectief in het projectvoorstel betrokken wordt bij de voorgestelde activiteiten in lijn met de OESO-richtlijnen.
22 Bijvoorbeeld door het toepassen van het genderperspectief zoals beschreven op https://www.genderduediligence.org
• Hoe de activiteiten binnen het gehele gepaste zorgvuldigheidsproces uitgevoerd gaan worden, alsmede welke maatregelen de ondernemingen en het samenwerkingsverband al hebben genomen ten aanzien van gepaste zorgvuldigheid en de effectiviteit van deze maatregelen (een nulmeting).
• Een beschrijving hoe de activiteiten onder stap 3 (het aanpakken van risico’s) binnen de invloedsfeer van (deelnemende) ondernemingen en het samenwerkingsverband vallen.
• Hoe de activiteiten onder de Due Dilligence stap 6 van de OESO richtlijnen zijn ingericht op basis van artikel 31 van de UN Guiding Principles.
23 UN (2011); https://www.ohchr.org/sites/default/files/documents/publications/guidingprinciplesbusinesshr_en.pdf
• Hoe de uitkomsten van de activiteiten van het samenwerkingsverband zo breed mogelijk worden gedeeld in de sector.
De uitvoering van het plan van aanpak betreft dus activiteiten als onderdeel van het gehele gepaste zorgvuldigheidsproces dat moet leiden tot structurele inbedding in een sector. De ontwikkelde tools en good practices worden aan het einde van het project gedeeld met de sector en publiek toegankelijk gemaakt, onder andere via het IMVO-steunpunt.
Aan het einde van het project dient er een beschrijving te zijn opgesteld waaruit blijkt hoe het samenwerkingsverband de aanpak heeft uitgevoerd. In de beschrijving komt in elk geval terug:
– De resultaten voor de aangesloten ondernemingen. Het samenwerkingsverband beschrijft hoe het plan van aanpak is gerealiseerd en welke effecten dit voor de ondernemingen heeft gehad.
– Het effect op de waardeketen. Het samenwerkingsverband beschrijft hoe het plan van aanpak is gerealiseerd en welke resultaten dit voor mens en milieu in de waardeketen heeft opgeleverd.
– Hoe de ondernemingen verder gaan (samen)werken aan het continue proces van gepaste zorgvuldigheid, individueel en in de sector.
Niet-subsidiabele activiteiten zijn:
○ activiteiten gericht op het opstellen van een aanvraag;
○ activiteiten waarvoor reeds subsidie is verleend in het kader van het Subsidieprogramma SSF;
○ activiteiten van een organisatie waaraan reeds een instellingssubsidie is verleend door het Ministerie van Buitenlandse Zaken voor een looptijd die het tijdvak van de gevraagde subsidie (deels) beslaat;
○ andere activiteiten waarvoor reeds een subsidie of een bijdrage is verstrekt door het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
- Regeling
- Besluit vaststelling beleidsregels en subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma Sectorale Samenwerking IMVO 2024–2029)
- Soort
- Ministeriële regeling
- Geldend vanaf
- 01-09-2026
- BWB-id
- BWBR0050094
- Versie
- 2026-09-01_0