wetzoeker

2.4.4 — Handhaving Aanwijzing handhaving Telecommunicatiewet (hoofdstukken 3 en 10)

Handhaving

Het geheel of gedeeltelijk aangelegd aanwezig hebben en het gebruik van een jammer wordt in alle gevallen strafrechtelijk gehandhaafd. Een jammer wordt in alle gevallen in beslag genomen ter onttrekking aan het verkeer.

Bij het gebruik van een jammer om een misdrijf mogelijk te maken, is sprake van opzettelijk handelen. Dit betekent dat hiervoor een strafmaximum van 6 jaar gevangenisstraf geldt (zie hiervoor onder § 1.1.4). Indien een jammer opzettelijk wordt gebruikt, betreft dit gebruik een feit als bedoeld in artikel 67 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering, waardoor diverse dwangmiddelen kunnen worden toegepast, zoals aanhouding buiten heterdaad, inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis. Ook de inzet van diverse buitengewone opsporingsbevoegdheden behoort hierdoor in beginsel tot de mogelijkheden.

Bij het aantreffen van een jammer, kennelijk bestemd om de opsporing te beletten, te belemmeren of te verijdelen, bijvoorbeeld wanneer een onderzoekssubject tracht hiermee een mogelijk GPS-baken aan zijn voertuig te verstoren, kan de verdachte daarbij subsidiair artikel 184 Sr ten laste worden gelegd.

Bij het aantreffen van jammers bestemd voor de handel kan (naast de strafrechtelijke aanpak) onder omstandigheden ook bestuursrechtelijk worden opgetreden. De RDI kan een last onder dwangsom opleggen aan degene die de radioapparaten in de handel brengt of verhandelt.

De richteisen voor het aanleggen, geheel of gedeeltelijk aangelegd aanwezig hebben en/of het gebruik van een jammer zijn opgenomen in de Richtlijn voor strafvordering Telecommunicatiewet, basisdelict 3.

Regeling
Aanwijzing handhaving Telecommunicatiewet (hoofdstukken 3 en 10)
Soort
Beleidsregel
Geldend vanaf
01-07-2024
BWB-id
BWBR0049881
Versie
2024-07-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl