wetzoeker

140 — Kwalificatiedossier Voortgezette rijvaardigheid auto Regeling politieonderwijs

Kwalificatiedossier Voortgezette rijvaardigheid auto

Kwalificatievereisten geven aan wat de medewerker moet beheersen en kunnen aantonen om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

De kwalificatievereisten zijn onderverdeeld in kerntaken, werkprocessen, competenties en bijbehorende gedragsindicatoren.

Kerntaak

Kerntaken geven de belangrijkste werkzaamheden van een beroepsoefenaar weer. In het geval van de Voortgezette Rijvaardigheid Auto is er één kerntaak: Het vlot, veilig en verantwoord besturen van een politievoertuig conform de voortgezette rijtaak.

Werkproces

Een werkproces bestaat uit een aantal samenhangende activiteiten die horen bij een kerntaak. Die activiteiten hebben een begin, een eind en leiden tot een duidelijk resultaat. De kerntaak van de Voortgezette Rijvaardigheid Auto kent vijf werkprocessen.

Kerntaken | Werkprocessen

Het vlot, veilig en verantwoord besturen van een politievoertuig conform de voortgezette rijtaak. | 1. Voorbereiden besturen politievoertuig 2. Zoekopdracht vinden 3. Toepassen voertuigbeheersing en rijtechnieken 4. Risicoperceptie, anticiperen en wettelijke bevoegdheden toepassen 5. Professionele beroepshouding tonen

Voor ieder werkproces zijn gedragsindicatoren benoemd. Deze gedragsindicatoren zijn hetgeen waartoe de politiemedewerker binnen de voortgezette rijtaak wordt opgeleid. Daarmee zijn het die eisen die getoetst worden om te kunnen meten wanneer een student aan de eisen voldoet. Alle gedragsindicatoren moeten worden gezien binnen de aard en de context van het werk dat de politiemedewerker uitvoert. Gedragsindicatoren die voor deze doelgroep gelden, worden per werkproces puntsgewijs opgesomd onder het kopje ‘Gedrag’. Om de gedragsindicatoren beter te begrijpen, worden zij ingeleid door een algemene omschrijving. Deze algemene omschrijvingen zijn ook het niveau waarop kwalificatievereisten worden gebruikt in de context van de verantwoording aan de minister via de POR.

Werkproces 1: Voorbereiden besturen van een politievoertuig

Omschrijving | Competenties

De politiemedewerker kan zelfstandig het voertuig inzet gereed maken voor de voortgezette rijtaak. | • Initiatief • Zelfreflectie • Flexibel gedrag • Samenwerken

Gedrag

De politiemedewerker: Voorbereidingshandelingen • stelt het voertuig op de juiste wijze in en controleert deze op veiligheidsaspecten. • kent de werking van de voertuig specifieke apparatuur en gebruikt deze, binnen de voortgezette rijtaak, op de juiste wijze.

Werkproces 2: Zoekopdracht vinden

Omschrijving | Competenties

De politiemedewerker kan, binnen de voortgezette rijtaak, de juiste richting volgen en de gegeven zoekopdrachten op vlotte, veilige en verantwoorde wijze vinden. | • Initiatief • Stressbestendigheid • Zelfreflectie • Flexibel gedrag

Gedrag

Richting volgen en zoekopdrachten vinden • kan binnen de voortgezette rijtaak de opgegeven richting volgen. • kan conform zoekopdracht het gevraagde doel bereiken. Presteren onder psychische- en tijdsdruk • is in staat om de voortgezette rijtaak onder druk goed en veilig uit te voeren.

Werkproces 3: Toepassen voertuigbeheersing en rijtechnieken

Omschrijving | Competenties

De politiemedewerker houdt gedurende de voortgezette rijtaak het voertuig onder controle en past daarbij de juiste rijtechnieken toe. De politiemedewerker laat hierbij een proactieve houding zien. | • Initiatief • Stressbestendigheid • Zelfreflectie • Flexibel gedrag

Gedrag

De politiemedewerker: Uitvoeren rijtechnieken

• voert de onderstaande rijtechnieken op een veilige, functionele en technisch juiste wijze uit: bochtentechniek

• inhaaltechniek

• stuurtechniek

• berijden van auto (snel-)wegen

• keertechniek

• parkeertechniek

• rood licht negatie

• rijden bij duisternis

Tonen voertuigbeheersing • houdt het voertuig onder alle omstandigheden goed onder controle. • is binnen de voortgezette rijtaak in staat de voertuig specifieke eigenschappen te (her-) kennen en te beheersen.

Werkproces 4: Risicoperceptie, anticiperen en wettelijke bevoegdheden toepassen.

Omschrijving | Competenties

De politiemedewerker anticipeert tijdig op (on)voorspelbare gedragingen van het overige verkeer. Hierbij toont hij een adequate risicoperceptie en past, daar waar noodzakelijk, de wettelijke bevoegdheden op juiste wijze toe. Dit betekent dat hij, binnen het gestelde van de Brancherichtlijn Politie en de voortgezette rijtaak, daar waar noodzakelijk, weloverwogen en incidenteel afwijkt van de BRL. | • Initiatief • Gezag • Stressbestendigheid • Zelfreflectie • Flexibel gedrag

Gedrag

De politiemedewerker: Anticiperen en verkeersinzicht • vermijdt voorspelbare gevaren tijdig en behoudt voldoende werkruimte en vlotheid. • voorspelt het gedrag van andere weggebruikers en past het eigen rijgedrag daarop aan. • anticipeert op wegsituaties met behulp van de taal van de weg. Tonen beslissingsvaardigheid • neemt vlotte en daadkrachtige beslissingen. • rijdt binnen de specifieke voortgezette rijtaak zo vlot als mogelijk (offensief tolerant). Risicoperceptie • is alert op verdachte situaties en handelt daar, rij-technisch gezien, adequaat naar (omgevingsbewust). • zorgt dat zijn (rij-)gedrag in overeenstemming is met het te bereiken doel (proportioneel). Wettelijke bepalingen toepassen • waarborgt zowel de eigen veiligheid als de veiligheid van het overige verkeer conform de bepalingen gesteld in de Wegenverkeerswet 1994. • past de Vrijstelling en de Brancherichtlijn Verkeer Politie binnen de specifieke voortgezette rijtaak toe. • is binnen de specifieke voortgezette rijtaak in staat om vlot en verantwoord met Optische-en Geluidssignalen te rijden.

Werkproces 5: Professionele beroepshouding tonen

Omschrijving | Competenties

De politiemedewerker laat tijdens zijn verkeersdeelneming en tijdens zijn reflectie zien dat hij professioneel en integer handelt. Hierbij is hij zich, daar waar functioneel binnen de voortgezette rijtaak, bewust zijn voorbeeldfunctie. | • Initiatief • Gezag • Stressbestendigheid • Zelfreflectie • Flexibel gedrag

Gedrag

De politiemedewerker: Professionele beroepshouding tonen • laat binnen de specifieke voortgezette rijtaak zien zich bewust te zijn van de voorbeeldfunctie, gerelateerd aan de uit te voeren taak. • toont aan professioneel en integer te handelen, overeenkomstig de waarden en missie van de Nationale Politie. • reflecteert op zijn eigen handelen.

Regeling
Regeling politieonderwijs
Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
30-05-2026
BWB-id
BWBR0049610
Versie
2026-05-30_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl