wetzoeker

136 — Kwalificatiedossier Verkeerstechnisch Begeleiden met een motor Regeling politieonderwijs

Kwalificatiedossier Verkeerstechnisch Begeleiden met een motor

De kwalificatievereisten zijn onderverdeeld in kerntaken, werkprocessen, competenties en bijhorende gedragsindicatoren. Kerntaken geven de belangrijkste werkzaamheden van een beroepsoefenaar weer en zijn voor het werkveld een logische en herkenbare combinatie van leeruitkomsten, passend bij een functie, rol of expertise uit het werkveld.

Leeruitkomsten beschrijven wat een student geacht wordt te weten, te begrijpen en te kunnen toepassen na afronding van een leerperiode of de opleiding in zijn geheel (NVAO, 2015). Om dit inzichtelijk te maken, is dit weergegeven in werkprocessen en bijbehorende competenties en gedragsindicatoren.

Een werkproces bestaat uit een aantal samenhangende activiteiten die horen bij een kerntaak. Die activiteiten hebben een begin, een eind en leiden tot een duidelijk resultaat.

De kerntaken, werkprocessen en gedragsindicatoren voor het Verkeerstechnisch Begeleiden met een motor worden in de tabellen hieronder weergegeven.

Kerntaken | Werkproces

Het uitvoeren van verkeerstechnische begeleidingen op de motor. | Het uitvoeren van begeleidingen van 1 of meerdere (voorrangs-) voertuigen op de motor: Wanneer een willekeurige stoet zich over de weg verplaatst (zonder begeleiding) dan verstoort dit bijna altijd de normale gang van het overige verkeer al dan niet in ernstige mate. Een verkeerstechnische begeleiding zal deze verstoring tot een minimum beperken. Dit komt de verkeersveiligheid ten goede.

Werkproces 1: Het uitvoeren van begeleidingen van 1 of meerdere (voorrangs-)voertuigen

Omschrijving | Competenties

Het zorgdragen voor een veilige en vlotte verplaatsing van een (voorrangs-)voertuig of een stoet voertuigen, waarbij een vrije doorgang wordt gecreëerd. Bij een verkeerstechnische begeleiding kunnen aan zowel de te begeleiden voertuigen, als aan de overige weggebruikers aanwijzingen worden gegeven, welke mogelijk in strijd zijn met de verkeersregels uit het RVV1990. | Vereiste competenties: • Initiatief • Gezag • Stressbestendigheid • Zelfreflectie • Flexibel gedrag • Samenwerken • Sociale vaardigheid

Gedragsindicatoren

De C1- motorrijder: Voorbereiden begeleidingsactie • controleert voor vertrek zijn voertuig, apparatuur en overige uitrusting op veiligheidsaspecten en functionaliteit. • toont aan dat hij de route overziet en beargumenteert wat volgens hem de kritieke punten zijn op de route. • geeft onderbouwd aan hoe de begeleiding op deze kritieke punten vanuit de verschillende rollen het beste kan worden uitgevoerd, daarbij rekening houdend met een aankomsttijd. Rijvaardigheid tonen • past de rijtechnieken toe welke onder de gegeven omstandigheden vereist zijn. • toont daarbij aan te beschikken over een uitstekende voertuigbeheersing en – bediening. • Kan dit toepassen bij (extreem) hoge snelheden. Begeleidingsvaardigheden toepassen • toont verkeersinzicht te hebben, waarbij hij effectief gebruik maakt van de taal van de weg en tijdig heeft ingespeeld op de gedragingen van andere. Daarbij weegt hij doel en middel af tegen de te nemen risico’s. • anticipeert vroegtijdig op mogelijke reacties van het overige verkeer. • herkent de beperkingen en de mogelijkheden van het verkeer en maakt daar zo nodig effectief gebruik van. Hij verstoort het verkeersbeeld niet meer dan nodig. • neemt beslissingen vlot, goed getimed, weloverwogen en daadkrachtig. • kan in het moment een plan bedenken en deze uitvoeren (actie-intelligentie). • gebruikt op de juiste wijze proportioneel de bevoegdheden t.a.v. verkeer regelend optreden, de vrijstelling en de wettelijke bepalingen. • kan inschatten welke kruising belangrijk is en dus geregeld moet worden en welke ondergeschikt is en overgeslagen kan worden. • geeft bij het verkeersregelend optreden duidelijke tekens en regelt het verkeer op veilige wijze, passend bij de gekozen begeleidingsvorm. • werkt samen met collega’s en draagt bij aan een optimale teamprestatie. Veiligheid waarborgen • brengt tijdens de begeleiding de eigen veiligheid, die van de medebegeleiders en overige weggebruikers niet in gevaar. Communiceren • communiceert zowel voor, tijdens als na de begeleiding op duidelijke en volledige wijze met de medebegeleiders, chauffeur(s) van de te begeleiden voertuigen, de meldkamer en eventuele andere betrokkenen. Hij maakt daarbij effectief gebruik van de communicatiemiddelen. Professionele beroepshouding tonen • toont bij de uitvoering van de functie voorbeeldgedrag naar burgers en collega’s en dat hij professioneel en integer handelt. Begeleidingsactie evalueren • onderbouwt op welke wijze zijn handelen heeft bijgedragen aan een veilige en tijdige aankomst van ‘de stoet’. • reflecteert op de keuzes die tijdens de voorbereiding en uitvoering zijn gemaakt en kan daarbij verbeterpunten benoemen. Protocollaire vertrek en aankomst • kan de, bij de begeleiding behorende, (vaste) opstellingen van de motoren uitvoeren. • kan de, bij de begeleiding behorende, (vaste) commando’s opvolgen en uitvoeren. • kan tijdens het wegrijden en aankomen de juiste rijpositie handhaven.

Regeling
Regeling politieonderwijs
Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
30-05-2026
BWB-id
BWBR0049610
Versie
2026-05-30_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl