113 — Kwalificatiedossier Rijvaardigheid Dienst Infrastructuur (deel 1) Regeling politieonderwijs
Kwalificatiedossier Rijvaardigheid Dienst Infrastructuur
Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.
Kwalificatievereisten
Kerntaak
Kerntaken geven de belangrijkste werkzaamheden van een beroepsoefenaar weer. In het geval van de Rijvaardigheid Dienst Infrastructuur is er 1 kerntaak: Het vlot en veilig besturen van een politievoertuig conform de specifieke rijtaken van de Dienst Infrastructuur.
Werkproces
Een werkproces bestaat uit een aantal samenhangende activiteiten die horen bij een kerntaak. Die activiteiten hebben een begin, een eind en leiden tot een duidelijk resultaat. De kerntaak van de Rijvaardigheid Dienst Infrastructuur kent 4 werkprocessen:
1. Surveilleren in een opvallend politievoertuig (SRI);
2. Rijden ten behoeve van de interventietaak (SIV);
3. Videosurveillance in een onopvallend politievoertuig (VROS);
4. Bediening van de meetapparatuur (VROS).
Kerntaak | Werkprocessen
Het vlot en veilig besturen van een politievoertuig conform de specifieke rijtaken van de Dienst Infrastructuur. | 5. Surveilleren in een opvallend politievoertuig; 6. Rijden ten behoeve van de interventietaak; 7. Videosurveillance in een onopvallend politievoertuig. 8. Bediening van de meetapparatuur.
Voor ieder werkproces zijn gedragsindicatoren benoemd. Deze gedragsindicatoren zijn hetgeen waartoe operationele medewerkers bij de diensten en afdelingen Infrastructuur en medewerkers van de teams verkeershandhaving van de eenheden, binnen de verkeerstaak worden opgeleid. Daarmee zijn het die eisen die getoetst worden om te kunnen meten wanneer een student aan de eisen voldoet. Alle gedragsindicatoren moeten worden gezien binnen de aard en de context van het werk dat de genoemde operationele medewerkers binnen de verkeerstaak uitvoeren.
De bij de genoemde werkprocessen behorende gedragsindicatoren worden puntsgewijs opgesomd onder het kopje ‘Gedrag’. Om de gedragsindicatoren beter te begrijpen, worden zij ingeleid door een algemene omschrijving. Deze algemene omschrijvingen zijn ook het niveau waarop kwalificatievereisten worden gebruikt in de context van de verantwoording aan de minister via de POR.
Werkproces 1: Surveilleren in een opvallend politievoertuig (SRI)
Omschrijving | Competenties
Tijdens het opsporend en handhavend verkeerstoezicht de algemene rijtaak vlot en veilig uitvoeren (op specialistisch rijniveau). | • Initiatief • Gezag • Stressbestendigheid • Zelfreflectie • Flexibel gedrag
Gedrag
De operationele medewerker van de Dienst Infrastructuur: Voorbereidingshandelingen • stelt het voertuig op de juiste wijze in en controleert deze op veiligheidsaspecten. • kent de werking van de voertuigspecifieke apparatuur en gebruikt deze, binnen de rijtaak, op de juiste wijze. Anticiperen en verkeersinzicht • vermijdt voorspelbare gevaren tijdig en behoudt voldoende werkruimte en vlotheid. • voorspelt het gedrag van andere weggebruikers en past het eigen rijgedrag daarop aan. • maakt binnen de rijtaak op de juiste wijze gebruik van de taal van de weg. Tonen beslissingsvaardigheid • neemt vlotte en daadkrachtige beslissingen zonder dat de rijtechnieken en de veiligheid in het geding komen. • rijdt binnen de rijtaak zo vlot als mogelijk. Risicoperceptie /-acceptatie • zorgt dat zijn (rij-) gedrag in overeenstemming is met het te bereiken doel (proportioneel). Richting volgen en zoekopdrachten vinden • kan binnen de rijtaak de opgegeven richting volgen. • kan binnen de rijtaak de opgegeven zoekopdrachten vinden. Uitvoeren rijtechnieken • past de bochtentechniek op de juiste wijze toe. • past de inhaaltechniek op de juiste wijze toe. • past de stuurtechnieken op de juiste wijze toe. • past bij het berijden van auto(snel-) wegen de juiste procedure toe. • past de keermethoden functioneel en op de juiste wijze toe. • past de parkeermethoden functioneel en op de juiste wijze toe. • past het negeren van rood-licht functioneel en op de juiste wijze toe. Tonen voertuigbeheersing • houdt het voertuig onder alle omstandigheden onder controle. • is binnen de rijtaak in staat de voertuig specifieke eigenschappen te (her-) kennen en te beheersen. Wettelijke bepalingen toepassen • zorgt ervoor de dat de veiligheid van zowel zichzelf als het overige verkeer gewaarborgd wordt. • past de Vrijstelling en de Brancherichtlijn Verkeer Politie binnen de rijtaak goed toe. • is in staat om vlot en verantwoord met optische en – geluidssignalen te rijden. Professionele beroepshouding tonen • laat binnen de specifieke rijtaak zien zich bewust te zijn van de voorbeeldfunctie. • toont aan professioneel en integer te handelen, overeenkomstig de waarden en missie van de Nationale Politie. • beïnvloedt, daar waar mogelijk, de verkeersdeelneming van anderen en het beeld van de politie, op een positieve manier. Presteren onder psychische- en tijdsdruk • is in staat om de rijtaak onder druk goed en veilig uit te voeren Rijden bij duisternis: • maakt functioneel gebruik van groot licht en/of andere verlichting. • rijdt binnen de rijtaak en de omstandigheden ter plaatse zo vlot als mogelijk.
Werkproces 2: Rijden ten behoeve van de interventietaak (SIV)
Omschrijving | Competenties
Tijdens het opsporend toezicht de specifieke rij- en interventietaak vlot en veilig uitvoeren. | • Initiatief • Gezag • Stressbestendigheid • Zelfreflectie • Flexibel gedrag • Samenwerken
Gedrag
De operationele medewerker van de Dienst Infrastructuur: Voorbereidingshandelingen • stelt het voertuig op de juiste wijze in en controleert deze op veiligheidsaspecten. • kent de werking van de voertuigspecifieke apparatuur en gebruikt deze, binnen de rijtaak, op de juiste wijze. Anticiperen en verkeersinzicht • vermijdt voorspelbare gevaren tijdig en behoudt voldoende werkruimte en vlotheid. • voorspelt het gedrag van andere weggebruikers en past het eigen rijgedrag daarop aan. • maakt binnen de rijtaak op de juiste wijze gebruik van de taal van de weg. Tonen beslissingsvaardigheid • neemt vlotte en daadkrachtige beslissingen zonder dat de rijtechnieken en de veiligheid in het geding komen. • rijdt binnen de rijtaak zo vlot als mogelijk. Risicoperceptie /-acceptatie • zorgt dat zijn (rij-) gedrag in overeenstemming is met het te bereiken doel (proportioneel). Richting volgen en zoekopdrachten vinden • kan binnen de rijtaak de opgegeven richting volgen. • kan binnen de rijtaak de opgegeven zoekopdrachten vinden. Uitvoeren rijtechnieken • past de bochtentechniek op de juiste wijze toe. • past de inhaaltechniek op de juiste wijze toe. • past de stuurtechnieken op de juiste wijze toe. • past bij het berijden van auto(snel-)wegen de juiste procedure toe. • past de keermethoden functioneel en op de juiste wijze toe. • past het negeren van rood-licht functioneel en op de juiste wijze toe. Tonen voertuigbeheersing • houdt het voertuig onder alle omstandigheden onder controle. • is binnen de rijtaak in staat de voertuig specifieke eigenschappen te (her-) kennen en te beheersen. Wettelijke bepalingen toepassen • zorgt ervoor de dat de veiligheid van zowel zichzelf als het overige verkeer gewaarborgd wordt. • past de Vrijstelling en de Brancherichtlijn Verkeer Politie binnen de rijtaak goed toe. • is in staat om vlot en verantwoord met optische en – geluidssignalen te rijden. Professionele beroepshouding tonen • laat binnen de specifieke rijtaak zien zich bewust te zijn van de voorbeeldfunctie. • toont aan professioneel en integer te handelen, overeenkomstig de waarden en missie van de Nationale Politie. • beïnvloedt, daar waar mogelijk, de verkeersdeelneming van anderen en het beeld van de politie, op een positieve manier. Presteren onder psychische- en tijdsdruk • Is in staat om de rijtaak onder (extreme) druk goed en veilig uit te voeren.
Werkproces 3: Videosurveillance in een onopvallend politievoertuig (VROS)
Omschrijving | Competenties
- Regeling
- Regeling politieonderwijs
- Soort
- Ministeriële regeling
- Geldend vanaf
- 30-05-2026
- BWB-id
- BWBR0049610
- Versie
- 2026-05-30_0