109 — Kwalificatiedossier Politierijinstructeur (deel 1) Regeling politieonderwijs
Kwalificatiedossier Politierijinstructeur
De kwalificatievereisten zijn onderverdeeld in kerntaken, werkprocessen, competenties en bijhorende gedragsindicatoren. Kerntaken geven de belangrijkste werkzaamheden van een beroepsoefenaar weer en zijn voor het werkveld een logische en herkenbare combinatie van leeruitkomsten, passend bij een functie, rol of expertise uit het werkveld.
Leeruitkomsten beschrijven wat een student geacht wordt te weten, te begrijpen en te kunnen toepassen na afronding van een leerperiode of de opleiding in zijn geheel (NVAO, 2015). Om dit inzichtelijk te maken, is dit weergegeven in werkprocessen en bijbehorende competenties en gedragsindicatoren.
Een werkproces bestaat uit een aantal samenhangende activiteiten die horen bij een kerntaak. Die activiteiten hebben een begin, een eind en leiden tot een duidelijk resultaat.
De kerntaken, werkprocessen en gedragsindicatoren voor de opleidingen Politie rijinstructeur categorie B en de daaraan gerelateerde categorieën A, C en D worden in de tabellen hieronder weergegeven.
Kerntaken | Werkprocessen
Het verzorgen van rijopleidingen en beoordelen van studenten ten behoeve van Rijvaardigheid & Rijveiligheid. | • Besturen van een politievoertuig als docent rijopleidingen; • Rijonderricht verzorgen aan studenten; • Coachen van studenten; • Beoordelen van studenten;
Werkproces 1: Besturen van een politievoertuig als docent rijopleidingen
Omschrijving | Competenties
In het rijtechnische deel van de opleiding leert de docent in opleiding (student) een veilige en goede bestuurder van een voertuig te worden, bezien vanuit het perspectief van een politierijinstructeur en dus gekoppeld aan de politiële rijtaak. | • flexibel gedrag • samenwerken • sociale vaardigheid • leervermogen • zelfreflectie • initiatief
Gedragsindicatoren
• Voert de voertuigcontrole en de controle van de in het voertuig aanwezige apparatuur op juiste wijze uit. • Kan het voertuig veilig en onder verschillende omstandigheden bedienen en beheersen. • Past rijtechnieken zoals stuur-, bochten-, keer- en inhaaltechniek op de voorgeschreven wijze toe. • Past tijdens aangeleerde rijtechnieken voortdurend de voorgeschreven kijktechnieken toe. • Kan spoedmeldingen, zowel zonder als met optische- en geluidssignalen, vlot en veilig rijden. • Kan zoekopdrachten uitvoeren. • Kan voortdurend afwegingen maken tussen te bereiken doel(en) en te nemen risico’s. • Past voortdurend zijn houding, gedrag en verantwoordelijkheid aan de situatie aan. • Past het rijgedrag aan de omgeving aan (verkeersinzicht en voorbeeldfunctie). • Neemt onder druk verantwoorde beslissingen. • Communiceert tijdens de rijtaak duidelijk met andere weggebruikers en collega’s. • Past tijdens de rijtaak de bevoegdheden, de vrijstellingen en wettelijke bepalingen juist toe. • Zorgt binnen verschillende verkeerssituaties voor voldoende vrije werkruimte en houdt zodoende de mogelijkheid voor diverse acties open. • Waarborgt altijd de eigen veiligheid en die van de andere weggebruikers. • Heeft oog voor eventuele culturele verschillen in normen en waarden. • Reflecteert op zijn eigen handelen.
Werkproces 2: Rijonderricht verzorgen
Omschrijving | Competenties
De docent is in staat om op adequate wijze de cursist op te leiden tot een volwaardige bestuurder van het betreffende voertuig en die rijdt volgens de vastgestelde (politiespecifieke) procedures. | • flexibel gedrag • samenwerken • kwaliteitsgerichtheid • sociale vaardigheid • mondelinge presentatie • interculturele sensitiviteit • leervermogen
Gedragsindicatoren
• Vult het lesvoorbereidingsformulier adequaat in, conform het Didactische Model Politie. • Geeft een duidelijke en gestructureerde introductie, waarin terug- en vooruit wordt geblikt op de lesonderdelen en de doelstellingen. • Geeft duidelijk en gestructureerd instructie over de geldende wet- en regelgeving (Brancherichtlijn Politie, Richtinggevend Kader Bijzondere Verkeersbevoegdheden en Vrijstelling). • Geeft informatie over het belang van bediening, dagelijks onderhoud en technische controle van het voertuig uit het oogpunt van schadepreventie en verkeersveiligheid. • Geeft duidelijk en gestructureerd instructie over de deelhandelingen van de rijtaak conform de Rijprocedure-Politie (handelingsanalyses). • Geeft duidelijke en gepaste demonstraties van de aan te leren handelingen, conform de Rijprocedure-Politie. • Kiest een geschikte locatie voor het oefenen van de rijtaak. • Kiest de instructiefases die bij de cursist, de deelhandeling en de locatie passen. • Sluit aan bij de beginsituatie van de cursist. Kiest daarbij oefensituaties die passen bij het rijniveau van de student en de student stimuleren. • Geeft de cursist ruimte om fouten te maken zolang de veiligheid niet in het gedrang komt. • Herkent gevaarlijke situaties, schat de risico’s daarvan in en handelt adequaat. • Grijpt in, mondeling of door een handeling, op het moment dat een onveilige situatie dient te worden voorkomen. • Rondt de les adequaat af, door middel van een samenvatting van de les, vaststelling van het leerresultaat, evaluatie en vooruitblik op de volgende les. • Werkt daar waar nodig adequaat samen met collega-docenten en houdt zich aan de gemaakte afspraken • Heeft oog voor eventuele culturele verschillen in normen en waarden. • Reflecteert op zijn eigen handelen.
Werkproces 3: Coachen
Omschrijving | Competenties
De docent in opleiding (student) is in staat om op adequate wijze de cursist te coachen tot reflectie op eigen gedrag, kennis en vaardigheden en risico verhogende factoren. | • flexibel gedrag • samenwerken • kwaliteitsgerichtheid • sociale vaardigheid • probleemanalyse • mondelinge presentatie • interculturele sensitiviteit • leervermogen
Gedragsindicatoren
• Merkt fouten in de uitvoering van rijtaken/deelhandelingen op en speelt hierop in. • Geeft feedback in de vorm van concrete verbeterpunten op passende momenten. • Stimuleert de cursist (hardop) te verwoorden hoe hij een rijtaak aanpakt of heeft aangepakt. • Neemt verbaal en non-verbaal gedrag van de student waar (op het gebied van rijgedrag en rijvaardigheid) en speelt hierop in. • Geeft de cursist de mate van zelfstandigheid die past bij de tot dan toe gemaakte vorderingen, door hem de steun te geven die hij nodig heeft om een stap vooruit te maken in de beheersing van de rijtaak. • Stimuleert een positieve beleving bij de rijtaakuitvoering (humor, relativering, vertrouwen). • Helpt de cursist met de reflectie op zijn gedrag in het verkeer en het zelf inschatten van zijn rijvaardigheid. • Maakt met de cursist inzichtelijk welke factoren en omstandigheden (risico’s) een rol kunnen spelen bij zijn keuze en planning van verkeersdeelname. • Leeft zich zichtbaar in de leefwereld van de cursist in. • Past taalgebruik en taalniveau aan de cursist aan. • Gaat aan het einde van de les met de cursist na hoe het leerproces is verlopen. • Stelt het leerresultaat vast en bespreekt dit met de cursist. • Reflecteert op het eigen handelen, gedachten en gevoelens en formuleert verbeterpunten. • Staat open voor feedback vanuit collega’s of vanuit de cursist. • Verbetert op basis van zelfreflectie en/of feedback het eigen handelen. • Heeft oog voor eventuele culturele verschillen in normen en waarden. • Reflecteert op zijn eigen handelen.
Werkproces 4: Beoordelen
Omschrijving | Competenties
De docent in opleiding (student) is in staat om op adequate wijze de cursist gedurende de opleiding (doorlopend beoordelen), of binnen een examenopdracht te beoordelen. | • flexibel gedrag • leervermogen • samenwerken • interculturele sensitiviteit • mondelinge presentatie • sociale vaardigheid • kwaliteitsgerichtheid
Gedragsindicatoren
- Regeling
- Regeling politieonderwijs
- Soort
- Ministeriële regeling
- Geldend vanaf
- 30-05-2026
- BWB-id
- BWBR0049610
- Versie
- 2026-05-30_0