1.2 — Definities Regeling politieonderwijs
Definities
Term | Omschrijving | Toelichting bij de omschrijving
Beroepsprofiel | Een beschrijving van de essentie van een beroep, op het niveau van een ervaren (vakbekwaam) medewerker; de taken en verantwoordelijkheden die bij een beroep horen, en de ontwikkelingen die hierin verwacht worden. | De essentie van een beroep – betreft de typische kenmerken van een beroep – benadrukt de aard van beroeps-uitoefening – benadrukt de context waarbinnen de taken worden uitgeoefend. Ook moet duidelijk zijn wat het beroep in kwestie onderscheidt van andere beroepen. In de zes beroepsprofielen voor de politie zijn, anders dan in sommige beroeps(competentie)profielen voor het mbo en hbo, geen vereiste kennis, houding en vaardigheden opgenomen. Ook zijn de beroepen niet op een kwalificatieniveau ondergebracht.
Bouwsteen | Een bouwsteen is een eenheid van leeruitkomsten en bestaat uit minimaal 1 leeruitkomst (kleinste eenheid). Het gaat om een resultaat (verworven kennis, vaardigheden en houding) dat op zichzelf staat en als zodanig aangetoond kan worden.
Diploma of certificaat politieonderwijs | Door de Minister van Justitie en Veiligheid erkend document waarmee is aangetoond en vastgelegd dat de eigenaar beschikt over de vereiste kennis, houding en vaardigheden die in de bijbehorende kwalificatie zijn beschreven.
Generieke inzetbaarheid en specifieke inzetbaarheid | Een ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, kan: – Generiek inzetbaar zijn – Specifiek inzetbaar zijn De generieke inzetbare ambtenaar is bekwaam en inzetbaar voor de brede politietaak: opsporing, handhaving en hulpverlening. Hiervoor behaalt de ambtenaar een brede beroepskwalificatie. De specifiek inzetbare ambtenaar is bekwaam en inzetbaar voor specifieke onderdelen van het politiewerk. Hiervoor behaalt de ambtenaar een relatief ‘smalle’ kwalificatie. | Generieke inzetbaarheid is bijvoorbeeld aan de orde bij de LFNP-vakgebieden GGP en Tactische opsporing. Specifiek inzetbare politiemedewerkers hebben hun expertise buiten de politie opgedaan. Deze expertise zetten ze gericht in voor specifieke onderdelen van het politiewerk. Zij zijn dus ook bekwaam voor specifieke onderdelen van het politiewerk. Dit is bijvoorbeeld mogelijk voor de LFNP-vakgebieden Forensische opsporing en Intelligence. De specifiek inzetbare medewerker is breed bevoegd, maar moet zich onthouden van werkzaamheden buiten het vakgebied waarvan zijn functie onderdeel uitmaakt1.
Generieke kwalificatie-eisen | In de kwalificatiedossiers politieonderwijs zijn generieke kwalificatie-eisen van toepassing. Voor mbo-kwalificaties betreft dit eisen voor Nederlands, Engels (alleen niveau 4) en rekenen, en loopbaan en burgerschap. Generieke kwalificatie-eisen voor kwalificaties op hoger onderwijsniveau zijn verwoord aan de hand van 'Dublin-descriptoren'. Dit betreft (het toepassen van) kennis en inzicht, oordeelsvorming, communicatie- en leervaardigheden. Deze komen overeen met generieke kwalificatie-eisen in het regulier onderwijs. | Voor Nederlands, Engels en rekenen zijn referentieniveaus ontwikkeld. Alle generieke kwalificatie-eisen zijn vastgelegd in wet- en regelgeving. In verband met de aansluiting van het politieonderwijs op het reguliere onderwijs, wordt deze eisen ook toegepast in de kwalificatiedossiers op mbo- en hoger onderwijsniveau binnen het politieonderwijs.
Kerntaak | Een onderscheiden deel van de beroepsuitoefening. Kerntaken zijn kenmerkende werkzaamheden waarop een kwalificatie is gericht. Kerntaken kunnen meer of minder breed zijn geformuleerd en meer of minder deskundigheid vergen.
Kwalificatie | Wat moet een startbekwaam medewerker kennen, kunnen, willen en durven om aan het werk te kunnen in een politieberoep of -taak, door te kunnen stromen naar vervolgonderwijs en om te kunnen functioneren als burger. De kwalificatie is 'de lat' waaraan de student moet voldoen. De kwalificatie beschrijft de inhoudelijke eisen (het ‘wat') waar het onderwijs (examen en opleidingen) zich op moet richten. Dit ‘wat’ valt onder de ministeriele verantwoordelijkheid. | Een kwalificatie beschrijft de aansluiting van het onderwijs op het werkveld. Een kwalificatie is de inhoudelijke basis voor het ontwikkelen van examens en het opleidingsprogramma (ook curriculum genoemd). Conform geldende wet- en regelgeving stelt de Minister van J&V de kwalificaties voor het politieonderwijs vast.
Kwalificatiebewijs | Een kwalificatiebewijs van het politieonderwijs is een waardepapier, erkend door de Minister van Justitie en Veiligheid, dat uitdrukt over welke kennis, houding en vaardigheden de houder van het kwalificatiebewijs beschikt. Er zijn twee soorten kwalificatiebewijzen: diploma’s en certificaten.
Kwalificatiedossier | Een verzameling van kwalificaties die direct met elkaar samenhangen. Deze kunnen geordend zijn naar (werk)context, inhoud en/of niveau. | Een kwalificatiedossier is van toepassing bij modaliteit 1.
Kwalificatiestructuur (KSP) | Stelsel van kwalificaties en kwalificatiedossiers voor politieonderwijs, die onderling samenhangen. | In het politieonderwijs heeft de KSP twee functies: – Richting geven aan het politieonderwijs – Verantwoording afleggen aan de Minister van J&V en de samenleving over de bekwaamheden van executieve politiemedewerkers.
Kwalificatievereisten | Het geheel van wat een startbekwaam medewerker moet kennen, kunnen, willen en durven om aan het werk te kunnen in een politiefunctie of -taak (‘de lat’ waaraan de student moet voldoen). | Kwalificatievereisten zijn van toepassing bij modaliteit 2.
Leeruitkomst | Een meetbaar resultaat van wat de student moet kennen, kunnen, willen en durven, ongeacht de leerroute die de student heeft gevolgd. | – Leeruitkomsten zijn beschrijvingen van de kennis, vaardigheden en attituden, inclusief het beheersingsniveau, dat een student bereikt moet hebben na afronding van het leerproces. – Dit is een manier om een kwalificatie te beschrijven.
LFNP | Het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP). Het LFNP bevat beschrijvingen van functies, bijbehorende werkterreinen, aandachtsgebieden en rollen. De competentie- en opleidingsprofielen vormen integraal onderdeel van het LFNP.
Startbekwaamheid | De bekwaamheid van een 'starter' in zijn werk. | Een medewerker is startbekwaam als hij net zijn diploma of certificaat heeft behaald. Dit geldt ook voor het vakspecialistisch onderwijs.
Vakbekwaamheid | Vakbekwaam is iemand wanneer hij zijn beroep, functie of taak goed en in de volle breedte beheerst (een ervaren of ‘vakvolwassen’ medewerker). | Op basis van werkervaring en begeleiding kan een medewerker zich, na het behalen van zijn diploma, verder ontwikkelen richting vakbekwaamheid. Doorgaans heeft een medewerker, na het afronden van een opleiding, ongeveer 10.000 uur of 3 jaar nodig om in zijn werk het niveau van vakbekwaamheid te bereiken.
Verantwoordelijkheid en zelfstandigheid | Dit betreft één van de zogenaamde descriptoren uit het NLQF (Nederlands Kwalificatieraamwerk) en gaat over – de mate van samenwerking – de mate waarin een startbekwame beroepsbeoefenaar aanspreekbaar is op het eigen handelen en/ of dat van anderen – de mate waarin verantwoordelijkheid gedragen kan worden voor de eigen werk- en studieresultaten en/ of dat van anderen.
Voorbehouden handeling (wettelijke beroepsbevoegd-heden en -vereisten) | Handelingen in het beroep of delen daarvan, waaraan wettelijke eisen zijn gesteld. | In de basiskwalificaties voor het politieonderwijs zijn voorbehouden handelingen die een beginnend politiemedewerker moet uitvoeren, opgenomen. In sommige gevallen moet een politiemedewerker (tijdens of na de basisopleiding) extra gekwalificeerd worden voor bepaalde handelingen. Kwalificaties die op deze voorbehouden handelingen zijn gericht, vallen doorgaans onder modaliteit 2 en zijn opgenomen in de KSP.
1 Meer informatie over specifieke inzetbaarheid is te vinden in het Staatsblad 2018-204.
- Regeling
- Regeling politieonderwijs
- Soort
- Ministeriële regeling
- Geldend vanaf
- 30-05-2026
- BWB-id
- BWBR0049610
- Versie
- 2026-05-30_0