II — Examenvereisten Regeling politieonderwijs
Examenvereisten
Sporenleer
– Heeft kennis van sporenleer; legt uit en verklaart op basis van welke sporen/sporendragers de volgende onderdelen afgeleid/vastgesteld kunnen worden:
• Snelheid van betrokkenen
• Bewegingsrichting van betrokkenen
• Conflictpunt
• Secundaire veiligheden
• Zitpositie van betrokkenen
– Legt uit op welke locaties van de PD men sporen verwacht aan te treffen
– Licht toe hoe de sporen worden vastgelegd en veiliggesteld en welke hulpmiddelen daarvoor geëigend zijn
Fotogrammetrie
– Heeft kennis van fotogrammetrie (referentiegegevens, keuzes in vastlegging op PD, referentiematen, hoogteverschillen, koppelen van vakken, fotogrammetische uitwerking)
– Maakt referentiefoto’s waarbij:
• De referentiegegevens en relevante sporen goed zichtbaar zijn
• De verhouding camerahoogte en vaklengte op elkaar afgestemd zijn
• De noodzakelijke referentiematen nauwkeurig vastgelegd zijn
• Rekening is gehouden met hoogteverschillen in het referentievak
• Op forensische wijze gewerkt is en de geldende normen gehanteerd zijn
– Koppelt de vakken in de uitwerking zodanig dat een weergave van de werkelijke situatie ontstaat die voldoet aan de gestelde eisen en de geldende normen
Tekenen
– Geeft in een situatietekening duidelijk weer welke bronnen, meet- of andere hulpmiddelen zijn toegepast
– Maakt een situatietekening die inhoudelijk correct is:
• De tekening geeft overzicht van de (weg)situatie waar het ongeval heeft plaatsgevonden
• Verloop, inrichting en relevante sporen zijn in de tekening verwerkt
• De verkregen onderzoeksgegevens zijn in tekening opgenomen
– Maakt gebruik van kleurstellingen waardoor de herkomst/waarde van een bron bepaald kan worden
– Verduidelijkt met de maataanduiding in de tekening de weergegeven situatie en geeft benodigde informatie voor vervolgonderzoek
– Maakt een eindproduct met correcte vormvastheid, schaalreeks en papierformaat waardoor de maatvoering te controleren is
Rekenmodellen
– Heeft kennis van rekenmodellen: normalisatie, krachtenleer, arbeid en energie, wrijvingsleer, mechanica, bewegingsleer, goniometrie, kogelbaan formule, reactietijden, zwaartepunt 2d en 3d, en vermijdbaarheid
Omgevingsonderzoek
– Heeft kennis van omgevingsonderzoek: verkeerskunde, verkeersregelinstallaties, omgevingsonderzoek PD algemeen (klimatologische omstandigheden, infrastructurele belemmeringen, bijzondere effecten)
Voertuigonderzoek
– Heeft kennis van voertuigonderzoek: hybride voertuigen, schade en sporen vastleggen, veiligheidssystemen relateren aan sporen, niet uitstelbaar onderzoek, rij- en remproeven
– Heeft kennis van remproeven: kan een remvertraging berekenen en daarbij keuzes beargumenteren, bepaalt volgens FO-norm een min-max van de vertraging, weet hoe een Mahameter ingesteld en gebruikt moet worden
– Kan een remproef uitvoeren
Uitvoeren en afronden PD onderzoek
– Stelt op basis van waarnemingen op de PD realistische en relevante hypothesen en scenario’s op
– Overlegt, indien nodig, met de tactische opsporing over de hypothesen en scenario’s en vult deze zo nodig aan
– Formuleert relevante onderzoeksvragen
– Werkt planmatig, methodisch en gestructureerd
– Kent en werkt volgens relevante wet- en regelgeving, FO normen, aanwijzingen van het college van Procureur Generaal en richtlijnen van het PG management
– Heeft inzicht in consequenties van zijn handelen op het verloop van het onderzoek en de juridische afhandeling van een delict
– Vermeldt in een proces verbaal het juiste wetsartikel en onthoudt zich in het proces verbaal van uitspraken m.b.t. verwijtbaarheid van de betrokkene(n)
– Draagt zorg voor de veiligheid van zichzelf en anderen
– Bepaalt en onderbouwt de grootte van een plaats delict
– Kent en beheerst verschillende methoden t.b.v. het vastleggen en visualiseren van de PD
– Legt vast, stelt veilig en onderbouwt de, voor het onderzoek relevante, sporen, sporendragers en eindposities van voertuigen en/of slachtoffers
– Treft de juiste maatregelen om verlies van sporen en/of contaminatie te voorkomen
– Borgt de waarde van het onderzoeksmateriaal voor eventueel vervolgonderzoek
– Interpreteert het sporenbeeld en brengt dit in relatie met de veroorzaker van het spoor
– Kent verschillende onderzoeksmethodieken en opsporingstechnieken voor niet uitstelbaar PD onderzoek en hanteert deze in het juiste geval.
– Weet welke aspecten op een PD in aanmerking komen voor niet uitstelbaar onderzoek
– Verzamelt bewijsmateriaal voor het opgestelde scenario
– Legt bevindingen controleerbaar en reproduceerbaar vast
– Onderbouwt interpretaties met redenen van wetenschap
– Kent de mogelijke vervolgonderzoeken
– Verantwoordt uitgevoerde onderzoeken, gemaakte beslissingen en keuzes met de daarbij behorende resultaten en consequenties
– Is zich bewust van de inhoud en reikwijdte van onderzoekstaken en -mogelijkheden
– Borgt dat al het relevante bewijsmateriaal verzameld is
– Neemt een standpunt m.b.t. het PD onderzoek in en kan dit beargumenteren
– Is in staat om de uitkomsten van het PD onderzoek in begrijpelijke taal aan niet ingewijden over te brengen
– Schakelt, indien nodig, de juiste experts is
– Stelt een dossier samen over het PD onderzoek dat helder is opgebouwd, overzichtelijk is opgemaakt en goed leesbaar is
– Evalueert het verloop van het PD onderzoek op constructieve wijze
- Regeling
- Regeling politieonderwijs
- Soort
- Ministeriële regeling
- Geldend vanaf
- 30-05-2026
- BWB-id
- BWBR0049610
- Versie
- 2026-05-30_0