7.2 — KEC, MER, Passende beoordeling (deel 1) Kavelbesluit kavel Beta windenergiegebied IJmuiden Ver
KEC, MER, Passende beoordeling
Kader Ecologie en Cumulatie 4.0 (KEC 4.0
76 Kader Ecologie en Cumulatie 4.0: https://www.noordzeeloket.nl/functies-gebruik/windenergie/ecologie/cumulatie/kader-ecologie/
)
In het Programma Noordzee 2022–2027 is bepaald dat in de besluitvorming over windenergie op zee gebruik wordt gemaakt van het Kader Ecologie en Cumulatie. Het Rijk heeft dit kader ontwikkeld voor de beoordeling van cumulatie van effecten op populaties van beschermde soorten bij het realiseren van de doelstellingen voor windenergie op zee. Het KEC versie 4.0 onderzoekt ecologische effecten van verschillende uitrolscenario’s tot 2030 en de windparkontwikkelingen op de Noordzee van buurlanden in dezelfde periode. Uitgangspunt is dat, ook in cumulatie, voorkomen moet worden dat de staat van instandhouding van beschermde soorten in negatieve zin aangetast kan worden. Cumulatieve effecten zijn in het MER bij dit kavelbesluit conform de methodiek van dit kader onderzocht en beoordeeld.
Uitgangspunten van het KEC 4.0:
1. De cumulatieve effecten op de relevante soorten worden primair in beeld gebracht in relatie tot de Zuidelijke Noordzee populaties
77 Bij het in beeld brengen van effecten op het niveau van biogeografische regio’s is om pragmatische redenen een studiegebied gedefinieerd voor vogels en vleermuizen; de Zuidelijke Noordzee. Bij deze keuze hebben vooral de karakteristieken van dit gebied en de functies die het heeft voor de relevante soorten een rol gespeeld. Het omvat nu de Zuidelijke Noordzee tussen 51°N (ongeveer Calais) tot aan 56°N (net ten noorden van het drielandenpunt aan de noordzijde van het NCP, en van de Britse oostkust tot aan de Europese continentale kustlijn (exclusief de Waddenzee en Zeeuwse stromen).
, zodat een beeld wordt verkregen van het effect op de staat van instandhouding van de betreffende soorten.
78 In het geval van vogelsoorten waarvoor populatiemodellen zijn opgesteld, wordt in de ALI-systematiek gekeken naar zowel een nationaal als internationaal scenario. In het nationale scenario worden de cumulatieve effecten van Nederlandse windparken getoetst aan de Nederlandse vogelpopulatie in het Nederlands deel van de zuidelijke Noordzee. In het internationale scenario worden alle windparken in zuidelijke Noordzee meegenomen en getoetst tegen de internationale vogelpopulatie in de gehele zuidelijke Noordzee.
In overeenstemming met deze aanpak is een analyse opgesteld met inbegrip van windparken in de gehele Zuidelijke Noordzee (ten behoeve van internationale cumulatie). Voor mariene diersoorten wordt deze beoordeling op populatieniveau tevens gebruikt om de mogelijke effecten op de aanwezige aantallen van de relevante soorten in Natura 2000-gebieden in beeld te brengen. Dit vanwege het feit dat mariene soorten een diffuse verspreiding kennen en hun migratiepatronen zich door de gehele Zuidelijke Noordzee uitstrekken. De aanwezigheid van deze soorten in Natura 2000-gebieden is in grote mate afhankelijk van de totale aantallen in de populatie.
79 Deze aanpak is voor de bruinvis ook onderschreven in de uitwerking van het bruinvisbeschermingsplan waarin is aangegeven dat bescherming van deze migrerende soort in alleen Natura 2000-gebieden onvoldoende is om de gunstige staat van instandhouding van deze soort te bereiken en te behouden. Daarom is een Noordzee-brede bescherming voor deze soort meer gepast.
2. In het KEC 4.0 is er voor een aantal vogelsoorten voor gekozen om de effecten in beeld te brengen aan de soortspecifieke ‘acceptable level of impact’ (ALI).
80 De ALI’s zijn geformuleerd als ‘de kans op een afname van X procent of meer ten opzichte van de onverstoorde populatie, dertig jaar na de aanleg, mag niet hoger zijn dan Y’. Hierin is X de grenswaarde waarboven een effect (afname) als ‘onwenselijk groot’ wordt geclassificeerd, en Y de maximaal acceptabele kans dat zo’n effect uit de categorie ‘onwenselijk’ zich toch voordoet. Voor het uitrekenen van de soort-specifieke waardes van X en Y worden matrix populatiemodellen gebruikt die voor elk afzonderlijke soort wordt ontwikkeld als onderdeel van het Kader Ecologie en Cumulatie 4.0.
De ALI is een indicatieve norm voor het aantal exemplaren van een specifieke soort dat jaarlijks (bovenop de jaarlijkse sterfte en emigratie) aan de betreffende populatie onttrokken kan worden, zonder dat die populatie daardoor structureel achteruit zal gaan. Populatiekenmerken, de staat van instandhouding en beschikbare hoeveelheid kennis van de betreffende populatie zijn in deze maatstaf gebruikt. Zolang de ALI niet overschreden wordt, is de aanname dat geen sprake zal zijn van een aantasting van de staat van instandhouding.
81 In het KEC 4.0 is aangegeven dat voor initiatieven in de nabijheid van Natura 2000-gebieden die voor sommige soorten wel een extra of speciale functie hebben (zoals bv. broedgebied voor zeegaande vogelsoorten als grote stern en kleine mantelmeeuw, rust-, rui- of zooggebied voor gewone en grijze zeehond, of ruigebied voor zeekoet) nog een locatiespecifieke toetsing dient plaats te vinden binnen de Wnb. Binnen deze toetsing, die heeft plaatsgevonden in de Passende beoordeling, dient te worden bepaald of de (cumulatieve) effecten van het initiatief afbreuk doen aan omvang, kwaliteit en draagkracht van de habitats en leefgebieden van soorten met instandhoudingsdoelstellingen binnen die Natura 2000-gebieden.
In het KEC 4.0 is gebruik gemaakt van ‘werknormen’. Inmiddels zijn de ALI-normen geüpdatet vastgesteld.
82 https://www.noordzeeloket.nl/@281296/notitie-aanpassing-ali-normering/
Deze vastgestelde normen wijken voor sommige soorten af van de werknormen. Op basis van expert judgement is de norm voor enkele soorten strenger geworden en voor enkele soorten soepeler. De vastgestelde normen vormen het toetsingskader voor het bepalen van de aanvaardbaarheid van slachtoffers onder vogels in het MER bij dit kavelbesluit. Voor bruinvissen zijn de te verwachten effecten berekend met het Interim PCoD
83 Interim Population Consequences of Disturbance (Interim PCoD, versie 5.2). Het Interim PCoD model is een methode om te bepalen in welke mate verstoring van individuele dieren doorwerkt op de gehele populatie.
populatiemodel en getoetst aan de doelstelling “het met grote zekerheid (95 procent) in stand houden van de Nederlandse bruinvispopulatie op minimaal 95 procent van de in 2016 vastgestelde omvang.”
84 Deze doelstelling is geformuleerd in het Bruinvisbeschermingsplan. Zie Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Updated Conservation Plan for the Harbour Porpoise Phocoena phocoena in the Netherlands, 2020.
3. In het KEC 4.0 is uitgegaan van een scenario van 15 MW windturbines voor de windparken die tussen 2025 en 2030 worden gebouwd. Windturbines met een lage capaciteit zijn (per eenheid opgewekte energie) schadelijker voor verschillende (lokaal verblijvende) zeevogelsoorten, vleermuizen en zeezoogdieren dan de meest vermogende turbines. Hoewel de laatste in omvang groter en als zodanig schadelijker zijn, is voor het totaaleffect op de ecologie in positieve zin bepalend dat er veel minder van geplaatst hoeven te worden om eenzelfde energieopbrengst en bijdrage aan de energiedoelen te behalen. Naar verwachting zal het vermogen van windturbines in de toekomst verder toenemen. Wanneer met het gehanteerde worst case scenario geen negatieve effecten op beschermde Natura 2000-gebieden of de staat van instandhouding van beschermde soorten is geconstateerd, zullen de effecten bij grotere (en daarmee in aantal minder) windturbines per saldo afnemen.
In het KEC 4.0 is in sommige gevallen in de analyse rekening gehouden met mitigerende (effectbeperkende) maatregelen. Bij nieuwe inzichten, bijvoorbeeld uit een MER of Passende beoordeling, kan deze mitigatie aangepast worden in kavelbesluiten.
MER
- Regeling
- Kavelbesluit kavel Beta windenergiegebied IJmuiden Ver
- Soort
- Ministeriële regeling
- Geldend vanaf
- 17-07-2026
- BWB-id
- BWBR0049198
- Versie
- 2026-07-17_0