3.1.1 — Zienswijzen (deel 1) Kavelbesluit kavel Beta windenergiegebied IJmuiden Ver
Zienswijzen
Naar aanleiding van de publicatie van de kennisgeving en de terinzagelegging van het ontwerpkavelbesluit Beta zijn in totaal acht zienswijzen ontvangen. Aan het eind van deze toelichting, in deel IV van dit besluit, is de ‘Nota van beantwoording op afzonderlijke zienswijzen en reacties in het kader van het ontwerpkavelbesluit Beta van windenergiegebied IJmuiden Ver’ opgenomen. De nota van beantwoording maakt, voor zover de zienswijzen betrekking hebben op het ontwerp van dit besluit, onderdeel uit van het besluit. Naar aanleiding van de zienswijzen en reacties zijn de volgende wijzigingen doorgevoerd in dit definitieve besluit:
– In deel I (besluit) is bepaald dat kavel Beta wordt aangewezen als locatie voor een windpark met een totaal geïnstalleerd vermogen van ten minste 2 GW. In het ontwerpkavelbesluit werd nog uitgegaan van een totaal geïnstalleerd vermogen van ten minste 1,9 GW. Hiermee is beoogd de capaciteit van de netinfrastructuur van TenneT beter te benutten.
– In voorschrift 1 is naar aanleiding van een zienswijze de begripsbepaling van ‘geïnstalleerd vermogen’ aangepast. Er is voor gekozen om in de begripsbepaling aan te sluiten bij de gehanteerde definitie in de NEN-norm IEC 61400-1 voor windturbines. Met geïnstalleerd vermogen wordt bedoeld: het maximale elektrische vermogen, ook wel bekend als 'rated power', waartoe een windturbine is ontworpen om onder normale condities benut te kunnen worden voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, zoals ook kan worden vastgesteld door onafhankelijke certificerende partijen. Anders dan de in het ontwerpkavelbesluit gehanteerde definitie, wordt in deze begripsbepaling de bijdrage van ‘boosters’ niet per definitie uitgesloten zo lang de ‘rated power’ voldoet aan het minimum vermogen als bepaald in voorschrift 3, derde lid (15 MW).
– In voorschrift 1 zijn de begripsbepalingen van ‘p-waarde’, ‘standaarden’, ‘statistische significantie’ en ‘Wozep’ komen te vervallen als gevolg van wijzigingen in voorschrift 4, derde lid, en voorschrift 4, vierde lid.
– In voorschrift 3, zevende lid, van het kavelbesluit is het totale rotoroppervlak naar aanleiding van zienswijzen verhoogd tot maximaal 7.081.150 m2. Dit was in het ontwerpkavelbesluit 6.157.522 m2. Hiermee wordt voorzien in de behoefte aan overplanting met maximaal 0,3 GW. In een aanvulling op het MER is een extra variant onderzocht uitgaande van turbines met een hoog vermogen. In het aanvullende MER-onderzoek is bij die variant van 2,3 GW een totaal rotoroppervlak van 7.081.150 m2 gehanteerd. Volgens het aanvullende MER-onderzoek veranderen de conclusies van het MER niet.
– In hoofdstuk 7 van de toelichting zijn in relatie tot vogels diverse aanpassingen in de tekst doorgevoerd vanwege het beschikbaar komen van nieuwe slachtofferberekeningen van vogelsoorten in het aanvullende MER-onderzoek. In deze berekeningen is niet alleen rekening gehouden met de overplantingsvariant, ook is gebruik gemaakt van nieuwe ecologische gegevens en uitgangspunten, waaronder nieuwe gegevens over het voorkomen van specifieke vogelsoorten op de Noordzee (dichtheidskaarten). Hierdoor wijken de opnieuw berekende slachtofferaantallen in veel gevallen af van de aantallen die zijn berekend in het oorspronkelijke MER. Dit is ook het geval voor de eerder gehanteerde varianten die uitgingen van een opgesteld vermogen van ca. 2 GW. Het meest opvallend is dat niet langer sprake is van een overschrijding van de ALI-norm in het internationale scenario voor de alk en de zeekoet. Voor onder meer deze soorten zijn op basis van de nieuwe slachtofferaantallen de populatiemodellen geactualiseerd. Waar in hoofdstuk 7 van deze toelichting slachtofferaantallen onder vogelsoorten zijn benoemd, is uitgegaan van de resultaten van het aanvullende MER-onderzoek.
– Aan voorschrift 3, negende lid, is naar aanleiding van een zienswijze een zinsnede toegevoegd waarin is gesteld dat indien de vergunninghouder een fundering wil toepassen die niet in het lid is genoemd, een ter zake deskundige in het funderingsplan zal moeten aantonen dat de milieueffecten hiervan niet negatiever zijn dan in het MER is bepaald voor de onderzochte bandbreedte. Hiermee worden innovaties gestimuleerd mits wordt geborgd dat effecten binnen de in het MER onderzochte bandbreedte blijven.
– Aan voorschrift 4, eerste lid, is naar aanleiding van zienswijzen een onderdeel c toegevoegd. Daarin is de mogelijkheid opgenomen om in het funderingsplan het gebruik van een akoestisch afschrikmiddel (ADD) bij toepassing van alternatieve installatietechnieken achterwege te laten, of anderszins van de voorgeschreven ADD-procedure af te wijken, mits uit een motivering door een ter zake deskundige volgt dat met de voorgestelde installatieprocedure geen permanente gehoorschade (PTS) kan optreden onder bruinvissen. Hiermee wordt voorkomen dat bij toepassing van een geluidsarme installatietechniek onnodig een akoestisch afschrikmiddel wordt toegepast.
– Voorschrift 4, tweede lid, onderdeel e, is naar aanleiding van zienswijzen aangepast. Omdat voor het berekenen van het aantal bruinvisverstoringsdagen bij gebruik van andere technieken niet per sé (alleen) een zeezoogdierdeskundige nodig is, maar bijvoorbeeld (ook) een geluidsdeskundige, is ‘zeezoogdierdeskundige’ vervangen door ‘ter zake deskundige’.
– In voorschrift 4, tweede lid, onderdeel h, was in het ontwerpkavelbesluit reeds een inspanningsverplichting opgenomen om het produceren van onderwatergeluid te beperken tot een zo kort mogelijke aaneengesloten periode. Daar is aan toegevoegd dat de vergunninghouder zich inspant om de verstoring van bruinvissen zo veel als redelijkerwijs mogelijk is te beperken.
– De in voorschrift 4, derde lid, onderdelen c tot en met l, van het ontwerpkavelbesluit opgenomen monitoringsverplichting naar de aanwezigheid en aanvaringen van trekvogels is komen te vervallen. De toelichting in paragraaf 7.8.4 bij het kavelbesluit is hier ook op aangepast. Er bestaat blijkens zienswijzen onzekerheid over de beschikbaarheid van monitoringsapparatuur die voldoet aan de in het ontwerpkavelbesluit gestelde functionele eisen en beveiligingseisen. Bovendien heeft het beoogde onderzoek een reikwijdte en doelstelling die het belang van de vergunninghouder overstijgen. De Rijksoverheid is voornemens om het beoogde monitoringsonderzoek in de kavel ten aanzien van trekvogels en de effectiviteit van de daartoe opgelegde stilstandvoorziening op eigen initiatief te (laten) uitvoeren. De Rijksoverheid kan op die wijze borgen dat de data-inwinning voldoet aan alle criteria. De Rijksoverheid behoudt tevens regie over de datastromen en de beveiliging van apparatuur die op het MIVSP-netwerk wordt aangesloten. De Rijksoverheid zal in dit specifieke kader de kosten voor de aanschaf en het onderhoud van een vogeldetectiesysteem (met meerdere onderdelen) en andere monitoringsapparatuur voor zijn rekening nemen. Er is geen noodzaak tot aanschaf van aanvullende systemen door de vergunninghouder in dit specifieke kader. Wel zal deze onder meer de installatie en het onderhoud van de apparatuur – zonder financiële tegenprestatie – moeten faciliteren, gelet op de medewerkingsplicht uit voorschrift 4, derde lid, onderdelen b en c (nieuw) en voorschrift 5, eerste lid, van het kavelbesluit.
- Regeling
- Kavelbesluit kavel Beta windenergiegebied IJmuiden Ver
- Soort
- Ministeriële regeling
- Geldend vanaf
- 17-07-2026
- BWB-id
- BWBR0049198
- Versie
- 2026-07-17_0