wetzoeker

a — Verklaring van de verdachte Richtlijn bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid fysieke leefomgevingsfeiten (art. 257ba, tweede lid, Sv)

Verklaring van de verdachte

Vóór de afsluiting van het opsporingsonderzoek dient de betrokken opsporingsambtenaar degene die wordt verdacht van het fysieke leefomgevingsfeit (gedraging), in de gelegenheid te stellen om een verklaring af te leggen over het geconstateerde feit, nadat hem de cautie is gegeven. Dit wil zeggen dat hem of haar wordt meegedeeld dat er geen plicht is om over de overtreding een verklaring af te leggen of op door de opsporingsambtenaar gestelde vragen antwoord te geven.

23 Dit laat onverlet dat ex. art. 24a lid 1 Wet op de economische delicten (indien er sprake is van een fysiek leefomgevingsfeit dat een economisch delict oplevert) een ieder verplicht is aan de opsporingsambtenaren binnen de door hen gestelde redelijke termijn alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs kunnen vorderen bij de uitoefening van de hen krachtens titel III toekomende bevoegdheden.

De verklaring wordt vastgelegd in het proces-verbaal, dat door de opsporingsambtenaar op ambtseed of ambtsbelofte wordt opgemaakt en ondertekend.

Indien een rechtspersoon wordt verdacht van de gedraging, dient namens de rechtspersoon een natuurlijk persoon te worden gehoord die gerechtigd is de rechtspersoon (of een daaraan gelijkgestelde juridische entiteit ex. art. 51 Sr) te vertegenwoordigen.

Als de verdachte niet de gelegenheid is geboden tot het afleggen van een verklaring of aan de verdachte niet voor het verhoor de cautie is gegeven, mag er geen strafbeschikking worden uitgevaardigd, behoudens het in art. 24a lid 1 Wed bepaalde omtrent de medewerkingsplicht in het economisch strafrecht.

Regeling
Richtlijn bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid fysieke leefomgevingsfeiten (art. 257ba, tweede lid, Sv)
Soort
Beleidsregel
Geldend vanaf
01-01-2025
BWB-id
BWBR0049103
Versie
2025-01-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl