2.7 — Beleidsvrijheid binnen gestelde grenzen Richtlijn bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid fysieke leefomgevingsfeiten (art. 257ba, tweede lid, Sv)
Beleidsvrijheid binnen gestelde grenzen
De strafbeschikkingsbevoegdheid is een geattribueerde (wettelijk toegekende) bevoegdheid van de aangewezen lichamen of personen. Zij kunnen, binnen de in het Besluit OM-afdoening gestelde grenzen, in hoge mate zelf bepalen voor welke soorten fysieke leefomgevingsfeiten en in welke concrete gevallen de strafbeschikkingsbevoegdheid wordt ingezet, tenzij er sprake is van één of meer van de hierna te noemen contra-indicaties, die meebrengen dat in het concrete geval geen sprake is van een ‘strafbaar feit van geringe ernst of eenvoudige aard’ (§ 2.8).
Bij het gebruik van zijn bevoegdheid dient een bevoegd gezag rekening te houden met de beginselplicht tot handhaving, geformuleerd door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State,
12 ECLI:NL:RVS:2004:AP8242, ABRvS 7 juli 2004.
en, indien sprake is van een in oorsprong Europees voorschrift, de zogenoemde doelgebonden handhavingsplicht op grond van het Verdrag betreffende de Europese Unie.
In het Besluit OM-afdoening 2008 zijn grenzen gesteld aan de bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid voor fysieke leefomgevingsfeiten. De bevoegdheid blijft beperkt tot strafbare feiten die worden genoemd in bijlage II, hoofdstuk 1, van dat besluit, en dan uitsluitend, voor zover zij van geringe ernst of eenvoudige aard zijn (art. 4.3 Besluit OM-afdoening 2008).
Van deze bevoegdheid mag echter geen gebruik worden gemaakt, indien:
a. het een strafbaar feit betreft dat is begaan door een persoon die jonger is dan achttien jaar;
b. het een strafbaar feit betreft dat is begaan door een openbaar lichaam;
c. degene onder wie één of meer voorwerpen in beslag zijn genomen, weigert afstand te doen
13 Indien geen afstand wordt gedaan, beslist de strafrechter over verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer op vordering van de officier van justitie.
;
d. voor de opsporing van het strafbare feit internationale rechtshulp nodig is;
e. het strafbare feit wordt geconstateerd tezamen met één of meer andere strafbare feiten waarvoor de bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid is verleend, indien het gezamenlijk boetebedrag voor fysieke leefomgevingsfeiten die een economisch delict opleveren hoger is dan € 2.000 voor een natuurlijk persoon of € 10.000 voor een rechtspersoon;
f. het strafbare feit wordt geconstateerd met één of meer andere strafbare feiten waarvoor de bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid is verleend, indien het gezamenlijk boetebedrag voor fysieke leefomgevingsfeiten die geen economisch delict opleveren hoger is dan € 2.000 voor een natuurlijk persoon of € 10.000 voor een rechtspersoon;
g. sprake is van aanwijzingen voor een wederrechtelijk verkregen voordeel van (vermoedelijk) meer dan € 5.000;
h. het strafbare feit een wederrechtelijke gedraging betreft waardoor de dood van of ernstig letsel aan personen dan wel aanzienlijke schade aan dieren of planten wordt veroorzaakt, dan wel dreigt te worden veroorzaakt;
(art. 4.4 Besluit OM-afdoening).
Indien een strafbaar feit wordt geconstateerd dat weliswaar voorkomt in de lijst van fysieke leefomgevingsfeiten, maar buiten de in het Besluit OM-afdoening 2008 gestelde grenzen valt, wordt het door de betrokken opsporingsambtenaar opgemaakte, al dan niet verkorte, proces-verbaal van de geconstateerde overtreding(en) rechtstreeks ingestuurd naar de ter zake hiervan bevoegde handhavingseenheid van het Functioneel Parket.
14 Strafzaken tegen minderjarigen worden door het Functioneel Parket overgedragen aan een Arrondissementsparket. De bevoegdheidsregels van het Functioneel Parket, de Arrondissementsparketten en het Parket CVOM zijn steeds van toepassing.
De onder e en f verwoorde grenzen strekken er toe dat een combinatie van op te leggen boetes steeds beneden de in artikel 257c, derde lid, Sv neergelegde hoorgrens uitkomt. Het bevoegd gezag heeft in beginsel de ruimte om dit te bereiken door niet voor alle geconstateerde gedragingen een boete op te leggen. Indien echter een complex van strafbare feiten met het karakter van meerdaadse samenloop
15 Zie voor begrip ‘meerdaadse samenloop’: § 5, onder f.
wijst op een structureel tekortschietende naleving, is overleg met het OM over overdracht van het proces-verbaal aangewezen.
N.B. Bij afstand van inbeslaggenomen voorwerpen moet een kennisgeving van inbeslagneming worden gestuurd naar de handhavingseenheid van het Functioneel Parket, zodat het daar kan worden afgehandeld (art. 116, tweede lid, Sv).
16 Of, indien van toepassing op basis van de bevoegdheidsregels, naar het betreffende Arrondissementsparket of het Parket CVOM.
- Regeling
- Richtlijn bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid fysieke leefomgevingsfeiten (art. 257ba, tweede lid, Sv)
- Soort
- Beleidsregel
- Geldend vanaf
- 01-01-2025
- BWB-id
- BWBR0049103
- Versie
- 2025-01-01_0