wetzoeker

2.5 — Feitenlijst en boetebedragen Richtlijn bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid fysieke leefomgevingsfeiten (art. 257ba, tweede lid, Sv)

Feitenlijst en boetebedragen

In de bijlage bij deze richtlijn is de bij het Besluit OM-afdoening behorende lijst met fysieke leefomgevingsfeiten opgenomen. Deze lijst bestaat uit een aantal clusters met overtredingen en misdrijven die in beginsel als gemeenschappelijk kenmerk hebben dat de bewijsopdracht door de buitengewoon opsporingsambtenaar doorgaans betrekkelijk eenvoudig is uit te voeren, behoudens uitzonderingen. De feiten die behoren tot het cluster ‘Besluit activiteiten leefomgeving – Badinrichtingen en zwemgelegenheden’ zijn overtredingen. De overige feiten, die alle vallen onder artikel 1 of 1a van de Wet op de economische delicten, zijn misdrijven voor zover opzettelijk begaan; voor zover het geen misdrijven betreft, zijn het overtredingen.

7 Dit onderscheid wordt in de feitomschrijving niet gemaakt. Of een concrete overtreding opzettelijk of niet opzettelijk is gepleegd, moet uit het proces-verbaal blijken.

De praktijk heeft het OM geleerd dat bij economische delicten veelal sprake is van op z’n minst voorwaardelijke opzet, ook al omdat de delictsomschrijvingen geen bewijs van opzet vereisen met betrekking tot het wederrechtelijke karakter van de gedraging (kleurloos opzet). Dit ervaringsgegeven is als uitgangspunt gehanteerd bij het vaststellen van de lijst met boetebedragen voor fysieke leefomgevingsfeiten.

In de feitomschrijving zelf wordt het onderscheid misdrijf/overtreding niet gemaakt, behoudens bij enkele overtredingen aangaande activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild (een flora- en faunactiviteit), zoals bepaald in Hoofdstuk 11 afdeling 11.2 Besluit activiteiten leefomgeving. Uit het proces-verbaal met betrekking tot een economisch delict moet blijken of de geconstateerde overtreding al dan niet opzettelijk is begaan. Zie ook § 5, onder b.

Indien de betrokken opsporingsambtenaar op grond van zijn onderzoek tot de slotsom komt dat er voldoende bewijs is voor een opzettelijk gepleegde overtreding, kan hij vervolgens een voorstel doen aan het bevoegd gezag tot het opleggen van de boete die hiervoor staat. Echter, indien er volgens de betrokken opsporingsambtenaar geen of onvoldoende bewijs voor de opzet is, wordt het opgemaakte verkort proces-verbaal ter afdoening rechtstreeks naar de betrokken handhavingseenheid van het Functioneel Parket gestuurd.

8 Of, conform de interne afspraken binnen het Openbaar Ministerie, naar het betreffende Arrondissementsparket of het Parket CVOM.

De officier van justitie kan dan zelf een strafbeschikking inhoudende een andere boete uitvaardigen, wanneer ook hij van mening is dat in het concrete geval geen sprake is van een misdrijf, maar van een overtreding.

Deze omstandigheid wordt in § 2.8, onder 3, genoemd als een contra-indicatie voor de hanteerbaarheid van de bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid.

Per fysiek leefomgevingsfeit zijn in de bijlage bij deze richtlijn de boetebedragen voor natuurlijke personen en/of rechtspersonen weergegeven. Het gaat telkens om door het College van procureurs-generaal vastgestelde bedragen. Van deze bedragen kan slechts worden afgeweken als door het Functioneel Parket, in overleg met het bevoegd gezag (de gemandateerde opsporingsambtenaar), wordt besloten geen gebruik te maken van de bestuurlijke strafbeschikking fysieke leefomgevingsfeiten, maar van het insturen van een tik-proces-verbaal

9 Een tik-proces-verbaal is een verkort proces-verbaal dat niet aan de criteria van de SAM-procedure voldoet.

of een verkort proces-verbaal in het kader van de toepassing van de SAM-procedure.

10 De ‘Snelle Afdoening Milieu’ (SAM). Er moet sprake zijn van een bekennende verdachte, deze moet afstand hebben gedaan van inbeslaggenomen voorwerpen, het moet gaan om een (zeer) recente zaak en het proces-verbaal mag maximaal 20 pagina’s bevatten.

Bij het bepalen van de boetebedragen is rekening gehouden met de gangbare strafmaat bij de afdoening van de feiten door middel van een vonnis of transactie.

Voor alle feiten ligt het aangegeven boetebedrag onder de in artikel 257c, tweede lid, Sv gestelde hoorgrens van € 2.000 voor een natuurlijk persoon en, voor zover het een economisch delict betreft, € 10.000 voor een rechtspersoon.

Regeling
Richtlijn bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid fysieke leefomgevingsfeiten (art. 257ba, tweede lid, Sv)
Soort
Beleidsregel
Geldend vanaf
01-01-2025
BWB-id
BWBR0049103
Versie
2025-01-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl