wetzoeker

1 — Inleiding Aanwijzing kader voor toepassing van voorwaarden, gedragsaanwijzingen en maatregelen

Inleiding

Het Openbaar Ministerie (OM) heeft verschillende mogelijkheden om in de diverse fasen van het strafproces het gedrag van verdachten of veroordeelden te beïnvloeden en/of hun vrijheid te beperken, middels het stellen of vorderen van voorwaarden, gedragsaanwijzingen of maatregelen. Dat brede arsenaal is van groot belang om maatwerk te kunnen leveren en recht te doen aan de specifieke kenmerken van de zaak of aan de verdachte/veroordeelde. De keerzijde van die veelheid aan mogelijkheden is dat iedere mogelijkheid min of meer andere juridische kaders kent en hierdoor uitvoeringsproblemen kunnen ontstaan. Daarbij komt dat een deel van de praktijk buiten de klassieke sanctionering op basis van de in artikel 9 Sr genoemde straffen, niet door de wetgever genormeerd is. Met deze aanwijzing wordt beoogd de praktijk te vergemakkelijken en te voorzien van een duidelijk kader, teneinde de kwaliteit te bevorderen. Hiertoe wordt voorzien in een overzicht van algemene uitgangspunten die gelden naast de juridische kaders die gelden voor elke voorwaarde, gedragsaanwijzing en maatregel.

1 Deze aanwijzing vormt de beleidsmatige uitwerking van het advies van de Commissie ‘Rechtstatelijke grenzen en mogelijkheden bij het afdoen van strafbare feiten door het Openbaar Ministerie’, zie bijlage 5 in het onderzoek dat ten behoeve van de commissie is verricht: J. Bijlsma, Het voorwaardelijk sepot. Normering, praktijk, evaluatie (OM-reeks nr. 4), Den Haag: Boom Juridisch 2019.

Achtereenvolgens komen aan de orde:

– proportionaliteit en subsidiariteit,

– bepaaldheid,

– uitvoerbaarheid van het toezicht.

Omdat niet ten aanzien van elke voorwaarde/gedragsaanwijzing/maatregel beleid is vastgesteld in OM-aanwijzingen geeft deze aanwijzing concrete handvatten voor drie mogelijkheden in het bijzonder. Het gaat dan om de gedragsaanwijzing ex art. 509hh Sv, de vrijheidsbeperkende maatregel ex art. 38v Sr en de voorwaarden ex art. 13 Gratiewet.

Voor het voorwaardelijk sepot ex art. 167 lid 2 en art. 242 lid 2 Sv, de schorsing van de voorlopige hechtenis onder voorwaarden ex art. 80 e.v. Sv, de strafbeschikking met gedragsaanwijzingen ex art. 257a Sv, het vorderen van bijzondere voorwaarden bij de voorwaardelijke veroordeling ex art. 14a e.v. Sr en de voorwaardelijke invrijheidstelling ex art. 15a e.v. Sr zijn die handvatten opgenomen in de aanwijzingen die zien op die mogelijkheden.

2 Zie de Aanwijzing sepot en gebruik sepotgronden, de Aanwijzing voorwaardelijke straffen en schorsing van voorlopige hechtenis onder voorwaarden, de Aanwijzing OM-strafbeschikking, de Aanwijzing voorwaardelijke invrijheidstelling.

Deze aanwijzing is (vooralsnog) niet gericht op andere voorwaarden / gedragsaanwijzingen / maatregelen dan de drie hierboven genoemde. Jeugdzaken alsmede WED-zaken en zaken tegen rechtspersonen zijn eveneens uitgezonderd.

Waar in deze aanwijzing gesproken wordt over voorwaarde(n) kan ook aanwijzing(en) of maatregel(en) worden gelezen voor zover dat juridisch gezien mogelijk is (zo kunnen sommige voorwaarden niet als aanwijzing of maatregel worden opgelegd of gevorderd).

Regeling
Aanwijzing kader voor toepassing van voorwaarden, gedragsaanwijzingen en maatregelen
Soort
Beleidsregel
Geldend vanaf
01-01-2024
BWB-id
BWBR0049057
Versie
2024-01-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl