wetzoeker

1.3.5 — Wanneer welke methode? Vennootschapsbelasting. Geautomatiseerde berekening voorkoming dubbele belasting; toelichting op gehanteerde uitgangspunten (Syllabus AEB)

Wanneer welke methode?

De toepassing van een methode ter voorkoming van dubbele belasting door de woonstaat komt aan de orde als inkomsten uit het buitenland (kort gezegd de ‘bronstaat’) worden verkregen en het heffingsrecht over die inkomsten geheel of gedeeltelijk aan die bronstaat wordt, of moet worden, gelaten. Het komt dus, in beginsel, niet aan de orde als met de bronstaat een belastingverdrag is gesloten dat voor bepaalde inkomsten geen heffingsrecht aan die bronstaat toekent. In dat geval mag de bronstaat die winstbestanddelen in het geheel niet belasten en is uitsluitend de woonstaat bevoegd deze te belasten. Voorbeelden hiervan zijn winsten uit de exploitatie van schepen of luchtvaartuigen in internationaal verkeer (vgl. art. 8 OESO-modelverdrag), royalty’s (vgl. art. 12 OESO-modelverdrag) en overige inkomsten (vgl. art. 21 OESO-modelverdrag).

Zoals in paragraaf 1.3.4. is opgemerkt, kent Nederland vier methoden om te voorzien in het voorkomen van dubbele belasting, namelijk objectvrijstelling, belastingvrijstelling, belastingverrekening en kostenaftrek. Voor de vennootschapsbelasting zijn de objectvrijstelling en de belastingverrekening het uitgangspunt.

In zijn algemeenheid kan worden gezegd dat Nederland de methode van objectvrijstelling hanteert voor winsten waarover het heffingsrecht, vanuit Nederlands perspectief, primair bij het bronland berust. Dit is bijvoorbeeld het geval bij inkomsten uit onroerende zaken, winst behaald met een vaste inrichting en bij de ermee behaalde vervreemdingsvoordelen. In de belastingverdragen is dan ook in beginsel geregeld dat Nederland ter zake van deze winsten een vrijstelling verleent.

Daarentegen hanteert Nederland de methode van belastingverrekening voor de inkomsten waarvoor het bronland een beperkt heffingsrecht toekomt, zoals veelal dividenden, interest en royalty’s (zogenoemde ‘passieve inkomsten’). Ook hanteert Nederland de methode van belastingverrekening vaak in situaties waarin het toepassen van de (object-)vrijstelling zou kunnen leiden tot ongewenste heffingslacunes, zoals bijvoorbeeld in het geval van winsten uit een laagbelaste buitenlandse beleggingsonderneming.

1 Zie hoofdstuk 4.

Vanwege het Nederlandse uitgangspunt dat de heffing over passieve winstbestanddelen primair is toegewezen aan het woonland zal Nederland in beginsel geen buitenlandse belasting op interest, royalty's en dividenden verrekenen. Het Bvdb 2001 maakt een uitzondering voor door ontwikkelingslanden geheven belasting op dividenden, interest, royalty's. Indien evenwel in een belastingverdrag een (beperkt) heffingsrecht aan het bronland is toegekend over deze inkomsten, dan voorziet het verdrag in de verplichting voor Nederland een verrekening toe te staan.

2 Overigens kent Nederland als bronland sinds 1 januari 2021 een conditionele bronbelasting op interest en royalty’s. De conditionele bronbelasting zal per 1 januari 2024 worden uitgebreid naar dividendstromen. Gelet op de ratio van de conditionele bronbelasting heeft Nederland het uitgangspunt van exclusieve woonstaatheffing van passieve winstbestanddelen in relatie tot laagbelastende en niet-coöperatieve staten losgelaten. Een uitzondering geldt verder voor rente op schuldvorderingen in het geval dat de geldverstrekker een aanmerkelijk belang heeft dat niet behoort tot een ondernemingsvermogen (art. 17a, onderdeel c, Wet Vpb).

Is met een land geen verdrag gesloten én kwalificeert het land ook niet als ontwikkelingsland, dan kan de buitenlandse belasting op interest, royalty’s en dividenden niet worden verrekend.

3 Voorbeelden zijn Bermuda en Trinidad en Tobago. Bij de invoer van gegevens in AEB wordt vermeld of sprake is van een verdrag en of het land als ontwikkelingsland kwalificeert.

De geheven buitenlandse belasting wordt in dat geval niet in aftrek beperkt.

4 Zie hiervoor art. 10, eerste lid, onder e Wet Vpb 1969.

Regeling
Vennootschapsbelasting. Geautomatiseerde berekening voorkoming dubbele belasting; toelichting op gehanteerde uitgangspunten (Syllabus AEB)
Soort
Beleidsregel
Geldend vanaf
09-12-2023
BWB-id
BWBR0049041
Versie
2023-12-09_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl