Regeling specifieke uitkering startbouwimpuls
Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 30 november 2023, nr. 2023-0000652636, houdende regels met betrekking tot de verstrekking van een specifieke uitkering aan gemeenten en openbare lichamen ter stimulering van woningbouwprojecten (Regeling specifieke uitkering startbouwimpuls)
- Soort
- Ministeriële regeling
- Geldend vanaf
- 07-12-2023
- Rechtsgebied
- Wonen, onroerend goed, bouwrecht
- Ministerie
- Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
- BWB-id
- BWBR0049006
- Versie
- 2023-12-07_0
- SHA-256 bron
- 41722d701ac7c3b275ddf8d86f4d1ee6862fd7b1da12601e82bd85796ec18bfc
Inhoud (10)
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
– betaalbare woning: betaalbare woning als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van het Besluit Woningbouwimpuls 2020;
– ontvanger: gemeenten en openbare lichamen als bedoeld in artikel 8 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, genoemd in de bijlage;
– start bouw: start van de bouwkundige werkzaamheden voor alle bouwkundig met elkaar verbonden woningen binnen een woningbouwproject;
– transformatie: toevoegen van woningen aan de bestaande woningvoorraad door het wijzigen van een gebruiksfunctie van een gebouw of een onderdeel daarvan naar een woonfunctie in combinatie met het uitvoeren van fysieke ingrepen;
– woning: elke door nieuwbouw of transformatie aan de woningvoorraad toe te voegen zelfstandige of niet zelfstandige woning, niet zijnde een tijdelijk bouwwerk;
– woningbouwproject: woningbouwproject als bedoeld in artikel 2.
Artikel 2
Onder een woningbouwproject wordt verstaan een project voor de bouw van woningen en een of meer bouwkundig daarmee verbonden niet‑woningbouwdelen binnen één samenhangende vastgoedontwikkeling:
a. waarvan ten minste de helft bestaat uit betaalbare woningen;
b. dat bestaat uit meer dan tien woningen;
c. waarbij sprake is van een doorlopende bouwstroom; en
d. waarbij sprake is van uitstel van de start bouw door een financieel tekort als gevolg van de huidige economische omstandigheden.
Artikel 3
1 De minister kan een specifieke uitkering verstrekken aan ontvangers voor het stimuleren van de start bouw van woningbouwprojecten die zonder financiële bijdrage niet zouden kunnen starten.
2 De specifieke uitkering bedraagt de in de bijlage per ontvanger opgenomen bedragen. Per netto te realiseren woning waarvoor bij realisatie daarvan een nummeraanduiding als bedoeld in artikel 1 van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen kan worden toegekend, wordt ten hoogste € 12.500 uitgekeerd.
3 De specifieke uitkering wordt niet verstrekt voor btw die is verschuldigd over kosten voor de uitvoering van woningbouwprojecten, bedoeld in het eerste lid, voor zover het bedrag van de btw in aanmerking komt voor een bijdrage op grond van de Wet op het BTWcompensatiefonds of voor zover de kosten in aanmerking komen voor aftrek op grond van de Wet op de omzetbelasting 1968.
Artikel 4
1 De ontvanger besteedt de specifieke uitkering aan de in de uitkeringsbeschikking opgenomen woningbouwprojecten.
2 De start bouw vindt plaats vóór 31 december 2025 en het woningbouwproject wordt uiterlijk 31 december 2028 opgeleverd.
3 Indien naar het oordeel van de minister sprake is van een langere doorlooptijd van het woningbouwproject, kan de minister, in afwijking van het tweede lid, besluiten dat het woningbouwproject op een datum gelegen na 31 december 2028 kan worden opgeleverd.
4 De datums, bedoeld in het tweede en derde lid, kunnen door de minister met ten hoogste een jaar worden verlengd, op een schriftelijk en gemotiveerd verzoek hiertoe van de ontvanger.
5 De ontvanger besteedt de specifieke uitkering volledig uiterlijk op 31 december 2028.
6 Indien de volledige besteding van de specifieke uitkering vóór de datum, genoemd in het vijfde lid, niet mogelijk is, kan de minister die termijn met ten hoogste een jaar verlengen op een schriftelijk en gemotiveerd verzoek van de ontvanger.
Artikel 5
De uitkeringsbeschikking vermeldt in ieder geval:
a. welk woningbouwproject wordt gerealiseerd en de activiteiten die voor realisatie noodzakelijk zijn, corresponderend met de over het project door de ontvanger beschikbaar gestelde informatie;
b. de wijze van verantwoording over de besteding van de uitkering;
c. de wijze waarop kan worden aangetoond dat het woningbouwproject tijdig is opgeleverd;
d. de uiterlijke datum van de start bouw en de te verwachten datum waarop het woningbouwproject wordt opgeleverd; en
e. de afdracht aan het BTW-compensatiefonds.
Artikel 6
1 De ontvanger informeert de minister op verzoek van de voortgang van de activiteiten waarvoor de specifieke uitkering is verstrekt.
2 De ontvanger informeert de minister:
a. over de datum van start bouw; en
b. over de datum waarop het woningbouwproject is opgeleverd.
3 De ontvanger informeert de minister indien sprake is van vertraging waardoor een datum als bedoeld in artikel 5, onderdeel d, niet wordt gehaald.
4 De ontvanger verleent op verzoek van de minister medewerking en verstrekt op verzoek van de minister informatie ten behoeve van de evaluatie van de doelmatigheid en doeltreffendheid van de activiteiten waarvoor de specifieke uitkering is verstrekt.
Artikel 7
1 De ontvanger legt verantwoording af over de besteding van de specifieke uitkering op de wijze bepaald in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet.
2 De minister stelt de uitkering binnen 13 weken nadat de minister de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet, ambtshalve overeenkomstig de verlening vast.
3 Indien uit de informatie ten behoeve van de verantwoording, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet, blijkt dat de uitkering, bedoeld in artikel 3, niet volledig of onrechtmatig is besteed, kan de uitkering ter hoogte van het niet of onrechtmatig bestede deel door de minister worden teruggevorderd. De minister doet binnen een jaar na ontvangst van de informatie mededeling van de terugvordering aan de ontvanger.
4 Onverminderd het derde lid, kan de minister de uitkering geheel of gedeeltelijk terugvorderen indien:
a. de datum van de start bouw, bedoeld in artikel 5, onderdeel d, niet wordt gehaald;
b. de datum van oplevering van het woningbouwproject, bedoeld in artikel 5, onderdeel d, niet wordt gehaald;
c. de ontvanger de minister heeft geïnformeerd als bedoeld in artikel 6, derde lid, of dit heeft nagelaten.
Artikel 8
Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 9
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling specifieke uitkering startbouwimpuls.
Bijlage — bij artikel 3, tweede lid
Bijlage — bij artikel 3, tweede lid
De specifieke uitkering, bedoeld in artikel 3, tweede lid, bedraagt:
Ontvanger | Projecten | Woningen | Rijksbijdrage
Aa en Hunze | 1 | 52 | € 650.000
Aalsmeer | 1 | 48 | € 600.000
Alkmaar | 2 | 267 | € 3.337.500
Almelo | 8 | 117 | € 1.166.450
Almere | 2 | 244 | € 3.050.000
Alphen aan den Rijn | 4 | 344 | € 3.768.000
Altena | 5 | 111 | € 1.260.439
Amersfoort | 8 | 885 | € 9.162.510
Amsterdam | 14 | 2.105 | € 18.256.414
Apeldoorn | 1 | 35 | € 437.500
Arnhem | 6 | 230 | € 1.988.286
Asten | 1 | 12 | € 78.650
Baarn | 1 | 29 | € 362.500
Barneveld | 1 | 25 | € 267.075
Bergen op Zoom | 1 | 32 | € 400.000
Bernheze | 1 | 26 | € 211.000
Bladel | 1 | 23 | € 200.000
Breda | 6 | 658 | € 6.132.485
Brummen | 1 | 24 | € 300.000
Bunschoten | 2 | 174 | € 1.377.000
Capelle aan den IJssel | 1 | 161 | € 1.207.500
Cranendonck | 1 | 69 | € 862.500
De Bilt | 2 | 101 | € 287.800
Deurne | 2 | 76 | € 890.000
Deventer | 4 | 289 | € 3.593.100
Diemen | 2 | 314 | € 2.804.023
Dijk en Waard | 5 | 599 | € 4.711.135
Doetinchem | 1 | 63 | € 630.000
Dordrecht | 1 | 71 | € 887.490
Drechterland | 2 | 30 | € 375.000
Druten | 1 | 147 | € 1.200.000
Echt-Susteren | 3 | 84 | € 600.460
Edam-Volendam | 2 | 99 | € 1.162.500
Ede | 2 | 106 | € 1.200.585
Eemsdelta | 1 | 24 | € 300.000
Eindhoven | 4 | 879 | € 8.861.886
Enschede | 1 | 50 | € 548.000
Epe | 1 | 15 | € 187.500
Etten-Leur | 1 | 23 | € 287.500
Geertruidenberg | 1 | 12 | € 150.000
Gemert-Bakel | 3 | 82 | € 909.432
Gooise Meren | 1 | 58 | € 725.000
Gorinchem | 2 | 63 | € 762.500
Gouda | 2 | 319 | € 1.936.015
Groningen | 5 | 159 | € 1.738.581
Haarlem | 3 | 221 | € 1.947.700
Haarlemmermeer | 2 | 262 | € 2.749.586
Hattem | 2 | 37 | € 415.000
Heerde | 2 | 38 | € 325.000
Helmond | 2 | 265 | € 3.122.386
Hengelo | 9 | 365 | € 3.810.789
Hillegom | 2 | 101 | € 1.262.500
Hoeksche Waard | 2 | 84 | € 821.006
Hof van Twente | 1 | 24 | € 270.000
Hollands Kroon | 1 | 26 | € 325.000
Hoogeveen | 1 | 14 | € 150.000
Hoorn | 4 | 369 | € 3.410.000
Horst aan de Maas | 2 | 41 | € 512.500
Hulst | 3 | 104 | € 1.222.000
IJsselstein | 1 | 25 | € 200.000
Kampen | 2 | 42 | € 378.048
Leeuwarden | 6 | 222 | € 2.042.011
Leiden | 4 | 1.538 | € 10.142.211
Leiderdorp | 1 | 92 | € 1.150.000
Leusden | 1 | 29 | € 304.500
Lisse | 3 | 91 | € 987.500
Lochem | 1 | 21 | € 236.404
Maastricht | 7 | 419 | € 2.908.750
Meerssen | 1 | 25 | € 200.000
Meierijstad | 1 | 22 | € 245.000
Meppel | 2 | 82 | € 911.050
Middelburg | 2 | 90 | € 1.085.540
Midden-Drenthe | 1 | 24 | € 240.000
Midden-Groningen | 1 | 33 | € 412.500
Moerdijk | 1 | 35 | € 300.000
Molenlanden | 1 | 45 | € 363.000
Nieuwegein | 5 | 396 | € 4.223.918
Nijkerk | 2 | 82 | € 846.500
Nijmegen | 3 | 292 | € 2.547.825
Nissewaard | 3 | 302 | € 3.150.711
Noordoostpolder | 4 | 161 | € 1.570.000
Noordwijk | 4 | 130 | € 1.437.500
Nuenen, Gerwen en Nederwetten | 1 | 41 | € 512.500
Nunspeet | 3 | 44 | € 550.000
Oldambt | 2 | 38 | € 475.000
Oosterhout | 1 | 108 | € 1.350.000
Ouder-Amstel | 1 | 430 | € 3.480.582
Overbetuwe | 1 | 21 | € 262.500
Papendrecht | 1 | 38 | € 475.000
Parkstad Limburg1 | 23 | 835 | € 5.727.756
Peel en Maas | 1 | 13 | € 130.000
Pekela | 2 | 36 | € 450.000
Purmerend | 4 | 193 | € 1.683.975
Reimerswaal | 1 | 31 | € 200.000
Rijswijk | 2 | 406 | € 4.470.500
Roerdalen | 2 | 49 | € 473.350
Roermond | 9 | 263 | € 2.852.500
Rotterdam | 13 | 2.647 | € 26.720.836
Schagen | 2 | 64 | € 563.109
Schiedam | 2 | 54 | € 664.200
s-Gravenhage | 6 | 2.789 | € 25.674.815
s-Hertogenbosch | 4 | 819 | € 7.539.700
Sittard-Geleen | 2 | 58 | € 725.000
Smallingerland | 1 | 20 | € 140.600
Soest | 1 | 45 | € 562.500
Son en Breugel | 1 | 14 | € 175.000
Steenwijkerland | 2 | 33 | € 295.000
Stichtse Vecht | 2 | 574 | € 5.172.500
Súdwest-Fryslân | 1 | 28 | € 350.000
Terneuzen | 3 | 135 | € 1.622.500
Tholen | 1 | 15 | € 187.500
Tiel | 1 | 36 | € 450.000
Tilburg | 6 | 913 | € 9.069.785
Tynaarlo | 3 | 53 | € 520.000
Uitgeest | 1 | 11 | € 137.500
Uithoorn | 1 | 36 | € 360.000
Utrecht | 8 | 1.856 | € 19.236.002
Vaals | 1 | 37 | € 462.500
Valkenburg aan de Geul | 1 | 22 | € 253.635
Veendam | 3 | 59 | € 737.500
Veenendaal | 1 | 74 | € 750.000
Veldhoven | 2 | 203 | € 1.352.000
Venlo | 1 | 68 | € 850.000
Vlaardingen | 1 | 82 | € 595.320
Vlieland | 1 | 15 | € 187.500
Vlissingen | 3 | 185 | € 1.413.550
Waalwijk | 1 | 122 | € 1.230.000
Waddinxveen | 1 | 37 | € 185.000
Weert | 2 | 30 | € 269.860
Westerkwartier | 1 | 28 | € 322.000
Westervoort | 1 | 12 | € 114.000
Westland | 2 | 141 | € 1.762.500
Wijchen | 1 | 102 | € 1.275.000
Zaanstad | 5 | 1.293 | € 10.955.318
Zaltbommel | 2 | 37 | € 462.500
Zoetermeer | 1 | 393 | € 4.912.500
Zuidplas | 1 | 60 | € 510.000
Zutphen | 1 | 24 | € 300.000
Zwolle | 3 | 177 | € 1.648.750
Totaal | 362 | 31.430 | € 299.860.394
1 De volgende gemeenten nemen deel in deze gemeenschappelijke regeling: Breekdaelen, Brunssum, Heerlen, Kerkrade, Landgraaf, Simpelveld en Voerendaal.