wetzoeker

4.3 — Samenloop met subjectieve vrijstelling voor stichtingen en verenigingen Besluit belastingplicht van stichtingen en verenigingen

Samenloop met subjectieve vrijstelling voor stichtingen en verenigingen

In de Wet Vpb 1969 is een subjectieve vrijstelling opgenomen voor stichtingen en verenigingen die slechts beperkt winstgevende ondernemingsactiviteiten verrichten.

16 Artikel 6 Wet Vpb 1969.

Deze subjectieve vrijstelling is van rechtswege van toepassing als aan de daarvoor geldende voorwaarden is voldaan. De toepassing van de subjectieve vrijstelling kan nadelig uitwerken. Dit is bijvoorbeeld het geval als de stichting of vereniging te maken heeft met wisselende resultaten. De vrijstelling heeft namelijk een eindafrekening tot gevolg als er daarvoor sprake was van belastingplicht. Ook kan een verlies uit een vrijgesteld jaar niet worden verrekend.

De mogelijkheid bestaat dat door gebruik te maken van de regeling integrale belastingplicht de subjectieve vrijstelling voor stichtingen en verenigingen op het lichaam van toepassing is. Om nadelige gevolgen voor de vennootschapsbelasting te voorkomen, voorziet artikel 6 Wet Vpb 1969 in de mogelijkheid om te opteren voor belastingplicht en daarmee af te zien van deze vrijstelling. Vereist is hiervoor dat het lichaam tijdig een verzoek doet om de vrijstelling achterwege te laten.

17 Artikel 6, derde en vierde lid, Wet Vpb 1969. Zie in dit verband ook het beleidsbesluit ‘Vennootschapsbelasting. Subjectieve vrijstelling voor stichtingen en verenigingen’.

Regeling
Besluit belastingplicht van stichtingen en verenigingen
Soort
Beleidsregel
Geldend vanaf
24-08-2023
BWB-id
BWBR0048564
Versie
2023-08-24_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl