wetzoeker

Voorwaarden voor de toepassing van artikel 2, tiende lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (regeling integrale belastingplicht) Besluit belastingplicht van stichtingen en verenigingen

In deze voorwaarden wordt verstaan onder:

aanvangstijdstip: het tijdstip waarop de integrale belastingplicht voor de vennootschapsbelasting aanvangt

beëindigingstijdstip: het tijdstip waarop de integrale belastingplicht voor de vennootschapsbelasting niet langer van toepassing is

culturele instelling: een algemeen nut beogende instelling die is aangemerkt als culturele instelling (artikel 5b, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen)

integrale belastingplicht: de regeling zoals opgenomen in artikel 2, tiende lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969

materiële onderneming: de onderneming als bedoeld in de artikelen 2, eerste lid, onderdeel e, juncto artikel 4 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969

niet-ondernemingsdeel: het deel van het vermogen waarmee (zonder toepassing van de integrale belastingplicht) geen onderneming wordt gedreven

Wet IB 2001: Wet inkomstenbelasting 2001

Wet Vpb 1969: Wet op de vennootschapsbelasting 1969

Aanvang integrale belastingplicht

1. De integrale belastingplicht voor de vennootschapsbelasting vangt aan met ingang van <datum invullen>. Daarbij worden de volgende voorwaarden in acht genomen:

Fiscale balans op aanvangstijdstip

a. Met ingang van het aanvangstijdstip worden de activa en passiva die vóór het aanvangstijdstip zijn toegerekend aan het niet-ondernemingsdeel op de fiscale balans opgenomen tegen de waarde die in het economische verkeer aan die activa en passiva kan worden toegekend. Artikel 33 Wet Vpb 1969 is hierbij van overeenkomstige toepassing.

Vermogensetikettering

b. De toerekening van de vermogensbestanddelen aan de materiële onderneming onderscheidenlijk het niet-ondernemingsdeel vindt plaats aan de hand van de regels van de vermogensetikettering. Als er sprake is van keuzevermogen wordt voor vermogensbestanddelen die vóór het aanvangstijdstip tot het keuzevermogen behoorden dezelfde keuze gemaakt als vóór het aanvangstijdstip, tenzij sprake is van een bijzondere omstandigheid die een herziening van de keuze rechtvaardigt. Het toepassen van de regeling integrale belastingplicht is geen bijzondere omstandigheid.

Verliesverrekening

2. Voor de toepassing van artikel 20, tweede lid, Wet Vpb 1969 op vóór het aanvangs- respectievelijk na het beëindigingstijdstip geleden verliezen van de materiële onderneming vindt verrekening plaats met inachtneming van de volgende voorwaarden:

Winstsplitsing

a. De winst die opkomt binnen de periode van integrale belastingplicht wordt elk jaar gesplitst in een deel dat betrekking heeft op de vóór het aanvangstijdstip gedreven materiële onderneming en een deel dat betrekking heeft op het niet-ondernemingsdeel (hierna: winstsplitsing). Deze winstsplitsing vindt plaats alsof de integrale belastingplicht niet van toepassing is.

Horizontale verrekening van verliezen

b. Als de winst van de materiële onderneming positief is, wordt het aldus uit bovenstaande winstsplitsing eventueel voortvloeiende negatieve deel afkomstig uit het niet-ondernemingsdeel in mindering gebracht op het positieve deel.

Als de winst van de materiële onderneming negatief is, wordt het aldus uit bovenstaande winstsplitsing eventueel voortvloeiende positieve deel afkomstig uit het niet-ondernemingsdeel in mindering gebracht op het negatieve deel.

Verticale verrekening van verliezen

c. De vóór het aanvangstijdstip geleden verliezen van de materiële onderneming worden slechts verrekend met het overeenkomstig de onderdelen a en b bepaalde deel van de winst dat betrekking heeft op de vóór het aanvangstijdstip gedreven materiële onderneming, behalve voor zover de verrekening uit anderen hoofde is beperkt.

d. De na het aanvangstijdstip geleden en overeenkomstig de onderdelen a en b bepaalde verliezen van de materiële onderneming worden slechts verrekend met de winst van de vóór het aanvangstijdstip gedreven materiële onderneming, behalve voor zover de verrekening van deze verliezen uit anderen hoofde is beperkt.

e. De vóór het beëindigingstijdstip geleden en overeenkomstig de onderdelen a en b bepaalde verliezen van de materiële onderneming worden slechts verrekend met de winst van de ná het beëindigingstijdstip gedreven materiële onderneming, behalve voor zover de verrekening van deze verliezen uit anderen hoofde is beperkt.

f. De ná het beëindigingstijdstip geleden verliezen van de materiële onderneming worden slechts verrekend met de overeenkomstig de onderdelen a en b bepaalde winst van de vóór het beëindigingstijdstip gedreven materiële onderneming, behalve voor zover de verrekening van deze verliezen uit anderen hoofde is beperkt.

Verliezen van het niet-ondernemingsdeel

g. De na het aanvangstijdstip geleden en overeenkomstig de onderdelen a en b bepaalde verliezen van het niet-ondernemingsdeel zijn niet verrekenbaar met de vóór het aanvangstijdstip en na het beëindigingstijdstip behaalde winst.

Einde integrale belastingplicht

3. De integrale belastingplicht komt te vervallen op het moment dat niet langer aan de wettelijke vereisten voor de integrale belastingplicht is voldaan of met ingang van het jaar waarop de integrale belastingplicht rechtsgeldig door het lichaam is opgezegd. Daarbij worden de volgende voorwaarden in acht genomen:

(Partiële) eindafrekeningswinst

a. Alle voordelen die betrekking hebben op het niet-ondernemingsdeel en die nog niet eerder in de heffing van vennootschapsbelasting zijn begrepen, worden op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het beëindigingstijdstip in de winst opgenomen. De bestanddelen van het vermogen van het niet-ondernemingsdeel worden op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het beëindigingstijdstip voor de toepassing van de desinvesteringsbijtelling geacht te zijn vervreemd tegen de waarde in het economische verkeer.

Vermogensetikettering

b. De toerekening van de vermogensbestanddelen aan de materiële onderneming onderscheidenlijk het niet-ondernemingsdeel vindt plaats aan de hand van de regels van de vermogensetikettering. Als er sprake is van keuzevermogen wordt voor vermogensbestanddelen die vóór het aanvangstijdstip tot het keuzevermogen behoorden dezelfde keuze gemaakt als vóór het aanvangstijdstip, tenzij sprake is van een bijzondere omstandigheid die een herziening van de keuze rechtvaardigt. Het vervallen van de integrale belastingplicht is geen bijzondere omstandigheid.

Fiscale reserves en bestedingsreserve

c. De op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het beëindigingstijdstip bij het lichaam aanwezige reserves als bedoeld in artikel 3.53, eerste lid, onderdelen a en b, Wet IB 2001 worden als volgt aan de materiële onderneming onderscheidenlijk het niet-ondernemingsdeel toegedeeld:

• Een egalisatiereserve wordt toegedeeld aan de materiële onderneming respectievelijk het niet-ondernemingsdeel naar de mate waarin de kosten waarop de reserve betrekking heeft, ten laste van die delen zullen komen.

• Een herinvesteringsreserve wordt toegedeeld aan het deel – de materiële onderneming of het niet-ondernemingsdeel – waarbinnen het vermogensbestanddeel is vervreemd ter zake waarvan de reserve is gevormd.

Het gedeelte van de egalisatiereserve en van de herinvesteringsreserve dat wordt toegedeeld aan het niet-ondernemingsdeel, wordt op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het beëindigingstijdstip in de winst opgenomen.

d. Het gedeelte van een bestedingsreserve als bedoeld in artikel 12 Wet Vpb 1969 dat is gevormd met het oog op uitgaven die betrekking hebben op het niet-ondernemingsdeel, wordt op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het beëindigingstijdstip in de winst opgenomen.

Regeling
Besluit belastingplicht van stichtingen en verenigingen
Soort
Beleidsregel
Geldend vanaf
24-08-2023
BWB-id
BWBR0048564
Versie
2023-08-24_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl