wetzoeker

Paragraaf 5 Onderlinge regeling ‘Programma Stimuleren van Studeren in de Caribische Landen van het Koninkrijk en in de regio’

Procedure van toedeling, verantwoording en controle

1. Jaarlijks legt onderscheidenlijk Aruba, Curaçao en Sint Maarten uiterlijk op 1 oktober een activiteitenplan voor het volgende boekjaar ter goedkeuring aan Nederland voor.

2. Nederland kan voor het aanleveren van het activiteitenplan een maand uitstel verlenen.

3. Jaarlijks maakt Nederland, conform de toedeling van paragraaf 3, uiterlijk in januari, of bij toepassing van het tweede lid in februari, van het betreffende boekjaar de financiële middelen ten behoeve van dat boekjaar over aan de fondsbeheerder van onderscheidenlijk Aruba, Curaçao en Sint Maarten.

4. Jaarlijks legt onderscheidenlijk Aruba, Curaçao en Sint Maarten uiterlijk op 1 april verantwoording af over het voorgaande boekjaar en deze bevat:

a. het inhoudelijk verslag dat aan de hand van het activiteitenplan de resultaten en impact van iedere activiteit beschrijft;

b. het financiële verslag dat is voorzien van een accountantsverklaring van een onafhankelijke, erkende registeraccountant die verklaart of de middelen rechtmatig zijn besteed en of aan alle toepasselijke regelgeving is voldaan.

5. Jaarlijks stelt de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van Nederland uiterlijk op 1 juli per brief vast of de verantwoording voldoet aan de in deze onderlinge regeling gestelde eisen.

6. Indien de registeraccountant voor onderscheidenlijk Aruba, Curaçao of Sint Maarten verklaart dat middelen onrechtmatig zijn besteed of dat niet aan de toepasselijke regelgeving is voldaan, zendt het betreffende land uiterlijk een maand na deze verklaring aan Nederland een plan van aanpak hoe wel aan de eisen kan worden voldaan.

7. Het betreffende land herstelt de onrechtmatigheid binnen maximaal zes maanden en informeert Nederland hierover.

8. Indien middelen niet, niet tijdig, of niet conform deze onderlinge regeling of de van toepassing zijnde regelgeving zijn besteed, of waarvoor geen nieuwe bestemmingsafspraken zijn gemaakt, worden deze de eerstvolgende keer dat er weer middelen ter beschikking worden gesteld op die middelen in mindering gebracht of door Nederland teruggevorderd en kan Nederland besluiten om de toedeling van de betreffende middelen aan een of beide andere landen toe te kennen mits zij hun verplichtingen volledig en tijdig zijn nagekomen.

9. Indien activiteiten als opgenomen in een activiteitenplan ondanks de beschikbaarstelling van middelen niet worden uitgevoerd, of verplichtingen van uit deze onderlinge regeling niet worden nagekomen, geeft Nederland in overleg met het betreffende land een termijn om deze alsnog uit te voeren of na te komen.

10. Indien deze activiteiten vervolgens zonder rechtvaardige reden niet worden uitgevoerd, of verplichtingen zonder rechtvaardige reden niet worden nagekomen, kan Nederland besluiten dat het betreffende land niet meer in aanmerking komt voor de beschikbaarstelling van middelen voor het volgende boekjaar en besluiten om de toedeling van de betreffende middelen aan een of beide andere landen toe te kennen mits zij hun verplichtingen volledig en tijdig zijn nagekomen.

11. Indien Nederland door eigen toedoen de financiële middelen onder dit programma niet of niet-tijdig uitkeert, betekent dit dat Nederland verantwoordelijk is voor kosten die voortvloeien uit het niet of niet-tijdig uitkeren van deze financiële middelen.

Regeling
Onderlinge regeling ‘Programma Stimuleren van Studeren in de Caribische Landen van het Koninkrijk en in de regio’
Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
01-07-2023
BWB-id
BWBR0048432
Versie
2023-07-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl