wetzoeker

Artikel 10 Regeling specifieke uitkering COVID-19-vaccinatie

1 De Minister besluit uiterlijk 37 weken na ontvangst van de informatie ten behoeve van de verantwoording, bedoeld in artikel 9, eerste lid, over de vaststelling van de uitkering.

2 De uitkering wordt vastgesteld op ten hoogste het aantal daadwerkelijk toegediende vaccinaties vermenigvuldigd met het in artikel 3, derde lid, genoemde bedrag.

3 Indien de gerealiseerde kosten de uitkering, bedoeld in het eerste lid, overstijgen wordt de aanvullende uitkering, bedoeld in artikel 4, vastgesteld op het verschil tussen de gerealiseerde kosten en de uitkering, bedoeld in het eerste lid, tot ten hoogste het bij de verlening van de aanvullende uitkering genoemde bedrag.

4 Indien het aantal vaccinaties in 2026 85% of lager bedraagt dan het aantal ingeschatte vaccinaties, zoals genoemd in de tweede kolom van de tabel in de bijlage bij deze regeling, wordt de uitkering aan een GGD vastgesteld op 85% van het in de verleningsbeschikking genoemde bedrag.

5 Indien de informatie ten behoeve van de verantwoording te laat, niet of niet volledig wordt verstrekt, kan de Minister de uitkering op een lager bedrag vaststellen, aan de hand van de gegevens die tot het besluit tot vaststelling beschikbaar zijn gesteld.

Regeling
Regeling specifieke uitkering COVID-19-vaccinatie
Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
08-07-2026
BWB-id
BWBR0048308
Versie
2026-07-08_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl