wetzoeker

Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting

Regeling van de Minister voor Natuur en Stikstof van 5 juni 2023, nr. WJZ/ 27312934, houdende regels voor de verstrekking van subsidie voor het sluiten van veehouderijlocaties met piekbelasting op natuurgebieden (Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting)

Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
01-07-2025
Rechtsgebied
Ondernemingspraktijk
Ministerie
Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
BWB-id
BWBR0048262
Versie
2025-07-01_0
SHA-256 bron
34655c69c020396ef6e188690fed968a6ad943305a22c2da2e51d46afb0f9d32

Officiële tekst op wetten.overheid.nl

Inhoud (23)
  1. Artikel 1
  2. Artikel 2
  3. Artikel 3
  4. Artikel 4
  5. Artikel 5
  6. Artikel 6
  7. Artikel 7
  8. Artikel 8
  9. Artikel 9
  10. Artikel 10
  11. Artikel 11
  12. Artikel 12
  13. Artikel 13
  14. Artikel 14
  15. Artikel 15
  16. Artikel 16
  17. Artikel 17
  18. Artikel 18
  19. Artikel 19
  20. Artikel 20
  21. Artikel 21
  22. Bijlage 1 — behorende bij artikel 1 van de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting
  23. Modelovereenkomst

§ 1 — Algemeen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

AERIUS Check: rekeninstrument voor de vaststelling van de omvang van de stikstofvracht, beschikbaar op www.aerius.nl;

dierenverblijf: gebouw voor het houden van landbouwhuisdieren, met uitzondering van ruimte voor uitloop;

diersoorten met productierecht: melkvee, kippen, kalkoenen en varkens;

landbouwhuisdier: zoogdier of vogel voor de productie van vlees, eieren, melk, wol of veren of een paard of pony voor het fokken;

melkvee: dieren als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel kk, van de Meststoffenwet;

minister: Minister voor Natuur en Stikstof;

Natura 2000-gebied: Natura 2000-gebied als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet natuurbescherming, dan wel, na inwerkingtreding van de Omgevingswet, als bedoeld in die wet;

natuurvergunning: vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming of omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel a, van het Besluit omgevingsrecht dan wel, na de inwerkingtreding van de Omgevingswet, artikel 5.1, eerste lid, onderdeel e, van de Omgevingswet;

omgevingsrechtelijke melding: melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer dan wel, na de inwerkingtreding van de Omgevingswet, melding als bedoeld in artikel 4.808 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

omgevingsvergunning beperkte milieutoets: vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

omgevingsvergunning milieu: vergunning verleend krachtens artikel 2.1, eerste lid, onderdeel e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, dan wel, na inwerkingtreding van de Omgevingswet, vergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in die wet;

overbelast Natura 2000-gebied: Natura 2000-gebied dat is vermeld in bijlage 1;

productiecapaciteit: dierenverblijven, mest- en voeropslagen;

productierecht: productierecht als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel aa, van de Meststoffenwet, dat wordt uitgedrukt in:

a. voor fosfaatrecht: kilogrammen fosfaat;

b. voor varkensrecht: varkenseenheden, overeenkomstig de normen van bijlage II bij de Meststoffenwet;

c. voor pluimveerecht: pluimvee-eenheden, overeenkomstig de normen van bijlage II bij de Meststoffenwet;

stikstofvracht: het totaal van de stikstofdepositie, uitgedrukt in mol stikstof per jaar, die door een veehouderijlocatie wordt veroorzaakt op overbelaste Natura 2000-gebieden;

veehouder: natuurlijke persoon of rechtspersoon die of samenwerkingsverband van natuurlijke personen of rechtspersonen dat een veehouderij drijft;

veehouderij: onderneming voor het houden van landbouwhuisdieren;

veehouderij met productierecht: veehouderij voor het houden of het mede houden van diersoorten met productierecht;

veehouderijlocatie: vestigingsplaats van een veehouderij, bestaande uit het erf, bedoeld in artikel 1 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, dan wel, na inwerkingtreding van de Omgevingswet, bedoeld in bijlage I, onder A, bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, van de vestiging;

vleeskalveren: de diercategorieën met diernummers 112, 115, 116, 117 en 122, bedoeld in bijlage D, tabel IA, van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet;

vleeskalverhouderij: veehouderij voor het houden of het mede houden van vleeskalveren.

§ 1 — Algemeen

Artikel 2

1 De stikstofvracht wordt bepaald met gebruik van AERIUS Check.

2 Bij de in het eerste lid bedoelde berekening wordt uitgegaan van:

a. het aantal landbouwhuisdieren dat gemiddeld in 2021 op de locatie is gehouden, onderscheiden naar de diercategorieën, vermeld in bijlage 1 van de Regeling ammoniak en veehouderij, dan wel, na inwerkingtreding van de Omgevingswet, bijlagen V en VI van de Omgevingsregeling;

b. het huisvestingssysteem, genoemd in bijlage 1 van de Regeling ammoniak en veehouderij, dan wel, na inwerkingtreding van de Omgevingswet, bijlagen V en VI van de Omgevingsregeling, waarin de onderscheidenlijke diercategorieën in 2021 zijn gehouden.

3 Indien de veehouder aannemelijk kan maken dat de situatie in 2021 niet representatief is voor het jaarlijks gemiddeld gehouden aantal landbouwhuisdieren, kan worden uitgegaan van het aantal landbouwhuisdieren dat gemiddeld is gehouden in 2019 of 2020.

§ 1 — Algemeen

Artikel 3

De artikelen 6, 22, 23, 26, 27, 36, 36a, 41, 43, 52 van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies zijn van overeenkomstige toepassing.

§ 2 — Criteria voor subsidieverstrekking

Artikel 4

1 De minister kan een veehouder die een veehouderij met productierecht of een vleeskalverhouderij drijft, op aanvraag subsidie verstrekken voor de onomkeerbare sluiting van een veehouderijlocatie indien de stikstofvracht die deze locatie veroorzaakt, ten minste 2.500 mol stikstof per jaar bedraagt.

2 Voor subsidieverstrekking op grond van het eerste lid komt niet in aanmerking een veehouder die artikel 19, eerste lid, artikel 20, eerste lid, of artikel 21b, eerste lid, van de Meststoffenwet heeft overtreden.

3 Voor subsidieverstrekking op grond van het eerste lid komt niet in aanmerking een veehouder wiens veehouderij niet voldoet aan de in artikel 2, eerste lid van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 2472/2022 vastgestelde criteria.

§ 2 — Criteria voor subsidieverstrekking

Artikel 5

1 Er is sprake van een onomkeerbare sluiting van een veehouderijlocatie als bedoeld in artikel 4, eerste lid, indien:

a. niet langer landbouwhuisdieren worden gehouden op de locatie;

b. de dierlijke meststoffen zijn verwijderd van de locatie;

c. de veehouder, voor zover hij een veehouderij met productierecht drijft, overeenkomstig artikel 31, eerste lid, van de Meststoffenwet een kennisgeving heeft gedaan van het geheel of gedeeltelijk vervallen van zijn productierecht, waarbij ten minste het productierecht voor een zodanige omvang vervalt als is vereist voor het houden van het hierna vermelde percentage van het aantal dieren, uitgedrukt in varkenseenheden, pluimvee-eenheden respectievelijk kilogrammen fosfaat, dat gemiddeld in het voor de berekening van de stikstofvracht gebruikte referentiejaar op de locatie is gehouden:

– varkens: 80%;

– kippen en kalkoenen: 80%;

– melkvee: 95%;

d. al naar gelang de toepasselijke verplichtingen op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Wet milieubeheer, dan wel, na de inwerkingtreding van de Omgevingswet, de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving:

1°. de veehouder bij het bevoegd gezag een omgevingsrechtelijke melding heeft gedaan dat hij op de locatie niet langer landbouwhuisdieren houdt en, indien de veehouder op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht tevens dient te beschikken over een omgevingsvergunning beperkte milieutoets, het bevoegd gezag die vergunning heeft ingetrokken; of

2°. het bevoegd gezag de omgevingsvergunning milieu voor de locatie heeft ingetrokken of zodanig heeft aangepast dat het niet langer is toegestaan op de locatie landbouwhuisdieren te houden;

e. in het geval de veehouder beschikt over een natuurvergunning voor de locatie: deze vergunning is ingetrokken tenzij onderdeel f van toepassing is;

f. in het geval de veehouder voornemens is om op de locatie na de sluiting andere activiteiten te gaan verrichten, het bevoegd gezag op verzoek van de veehouder een besluit heeft genomen:

1°. op grond waarvan de toegestane stikstofemissie vanaf de locatie niet meer bedraagt dan de stikstofemissie ten gevolge van die activiteiten, met een maximum van 15% van de stikstofemissie van de activiteiten waarvoor voorheen toestemming was verleend,

2°. waarbij voor zover het besluit een wijziging van een natuurvergunning betreft de vergunninghouder wordt verplicht om de toestemming voor de stikstofemissie van de andere activiteiten te laten intrekken ten behoeve van een of meer Natura 2000-gebieden, wanneer hij niet langer gebruik maakt van die toestemming;

g. het bevoegde bestuursorgaan van de gemeente binnen de grenzen waarvan de veehouderijlocatie zich bevindt, een verzoek van de veehouder in behandeling heeft genomen om het bestemmingsplan dan wel, na inwerkingtreding van de Omgevingswet, het omgevingsplan, zodanig aan te passen dat op de locatie niet langer een veehouderij kan worden gevestigd;

h. de veehouder zich met gebruikmaking van de in bijlage 2 opgenomen modelovereenkomst met de Staat der Nederlanden heeft verbonden om:

1°. niet langer op de locatie landbouwhuisdieren te houden, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband;

2°. zeker te stellen dat na al dan niet tijdelijke overdracht of ingebruikgeving van de locatie of een deel daarvan aan een verkrijger of gebruiker evenmin op die locatie landbouwhuisdieren worden gehouden; en

3°. niet op een andere locatie in Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie de diersoorten te gaan houden die werden gehouden op de locatie die met subsidie op grond van deze regeling is gesloten en voor zover van belang voor het op grond van deze regeling te verstrekken subsidiebedrag, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband;

en

i. de voor de veehouderij met productierecht of vleeskalverhouderij op de locatie gebruikte productiecapaciteit is afgebroken en verwijderd.

2 De minister kan ontheffing verlenen van het vereiste, bedoeld in het eerste lid, onderdeel i, voor zover de veehouder productiecapaciteit langdurig gaat gebruiken voor andere activiteiten dan voor een veehouderij, mits het bevoegd gezag op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Wet milieubeheer dan wel, na de inwerkingtreding van de Omgevingswet, op grond van die wet, met dat gebruik instemt.

§ 2 — Criteria voor subsidieverstrekking

Artikel 6

1 De aanvraag van de veehouder wordt afgewezen indien de veehouder op de veehouderijlocatie niet daadwerkelijk een veehouderij met productierecht of een vleeskalverhouderij drijft en voor zover de desbetreffende productiecapaciteit niet onafgebroken gedurende de vijf jaren voorafgaande aan het tijdstip van indiening van de aanvraag op bedrijfseconomisch gangbare wijze gebruikt is.

2 De aanvraag wordt afgewezen indien de veehouder:

a. zich reeds heeft verplicht om de veehouderijlocatie te sluiten of reeds een aanvang heeft gemaakt met de sluiting van de locatie; of

b. ruimte voor stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied die voor de veehouderijlocatie bestaat of bestond ingevolge de bestaande vergunningen, in het kader van extern salderen geheel of gedeeltelijk ter beschikking stelt of heeft gesteld voor andere activiteiten met het oog op een daarvoor aangevraagde of aan te vragen natuurvergunning.

3 De aanvraag kan worden afgewezen indien de veehouder niet voldoet of niet heeft voldaan aan de Unienormen of de wettelijke vereisten voor het drijven van een veehouderij met productierecht, onderscheidenlijk voor het drijven van een vleeskalverhouderij.

4 Alleen indien de aanvrager voldoet aan de normen van de Europese Unie, komt hij voor subsidie op grond van deze regeling in aanmerking. Een aanvraag wordt afgewezen indien de aanvrager niet aan de normen van de Europese Unie voldoet en zijn activiteiten als veehouder moet beëindigen.

§ 3 — Subsidiebedrag

Artikel 7

De subsidie omvat:

a. een bijdrage in verband met het geheel of gedeeltelijk vervallen van het productierecht voor zover sprake is van een veehouderij met productierecht;

b. een bijdrage in verband met het verlies van de waarde van de voor de veehouderij met productierecht of vleeskalverhouderij op de veehouderijlocatie gebruikte productiecapaciteit als gevolg van de onomkeerbare sluiting van de veehouderijlocatie, behoudens voor zover ontheffing van de verplichting tot afbraak en verwijdering van de productiecapaciteit is verleend op grond van artikel 5, tweede lid;

c. een bijdrage in verband met de kosten van het afbreken en verwijderen van de voor de veehouderij met productierecht of vleeskalverhouderij op de locatie gebruikte productiecapaciteit.

§ 3 — Subsidiebedrag

Artikel 8

1 De in artikel 7, onder a, bedoelde bijdrage bedraagt 100% van de waarde van het geheel of gedeeltelijk vervallen productierecht, voor zover dat vervallen productierecht niet meer bedraagt dan het productierecht dat vereist is voor het aantal dieren, uitgedrukt in varkenseenheden, pluimvee-eenheden respectievelijk kilogrammen fosfaat, dat gemiddeld in het voor de berekening van de stikstofvracht gebruikte referentiejaar op de veehouderijlocatie is gehouden.

2 De in het eerste lid bedoelde waarde wordt bepaald op basis van:

a. de marktwaarde van het productierecht benodigd voor een varkenseenheid, respectievelijk een pluimvee-eenheid of een kilogram fosfaat; en

b. de omvang van het productierecht dat vervalt.

3 De minister stelt met het oog op de toepassing van dit artikel de marktwaarde van het productierecht benodigd voor een varkenseenheid, een pluimvee-eenheid en een kilogram fosfaat vast aan de hand van de actuele marktprijs, waarbij voor zover het gaat om varkensrecht en pluimveerecht onderscheid wordt gemaakt tussen de concentratiegebieden Zuid en Oost, aangeduid in bijlage I van de Meststoffenwet, en het overige gebied, en maakt deze bedragen uiterlijk bekend op de dag voor de aanvang van de openstellingsperiode, bedoeld in artikel 10, eerste lid.

§ 3 — Subsidiebedrag

Artikel 9

1 De in artikel 7, onderdeel b, bedoelde bijdrage bedraagt 120% van de gecorrigeerde vervangingswaarde van de voor de veehouderij met productierecht of vleeskalverhouderij op de veehouderijlocatie gebruikte productiecapaciteit, behoudens voor zover ontheffing van de verplichting tot afbraak en verwijdering van de productiecapaciteit is verleend op grond van artikel 5, tweede lid.

2 De gecorrigeerde vervangingswaarde, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald door per dierenverblijf het aantal m2 van het dierenverblijf te vermenigvuldigen met het bedrag dat in bijlage 3 is vermeld voor het desbetreffende dierenverblijf, uitgaand van de levensduur, uitgedrukt in jaren en maanden, van de romp van het dierenverblijf op het tijdstip dat is voldaan aan de vereisten, vermeld in artikel 5, eerste lid, onderdelen a, b en, behalve indien sprake is van een vleeskalverhouderij, c.

3 De in artikel 7, onderdeel c, bedoelde bijdrage wordt bepaald door per dierenverblijf het aantal m2 van het dierenverblijf te vermenigvuldigen met € 45,–.

§ 4 — Aanvraag tot subsidieverlening

Artikel 10

1 Aanvragen voor subsidie op grond van artikel 4, tweede lid, kunnen worden ingediend in de periode van 3 juli 2023 tot en met 20 december 2024.

2 Het subsidieplafond voor de verstrekking van subsidies op aanvragen die zijn ingediend in de in het eerste lid bedoelde periode, bedraagt € 1.820.000.000,–.

§ 4 — Aanvraag tot subsidieverlening

Artikel 11

1 Een subsidieaanvraag wordt ingediend bij de minister met gebruikmaking van een daartoe door de minister ter beschikking gesteld middel.

2 Indien een aanvraag is ingediend op grond van de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties voor stikstofreductie die in aanmerking komt voor toewijzing op grond van deze regeling, wordt de aanvraag aangemerkt als aanvraag op grond van deze regeling. In dat geval wordt de aanvraag geacht te zijn gedaan op het tijdstip waarop de oorspronkelijke aanvraag is ingediend en zo nodig is aangevuld om te voldoen aan de wettelijke voorschriften.

3 De aanvraag bevat ten minste de volgende gegevens:

a. gegevens over de aanvrager, waaronder contactgegevens en het nummer waaronder zijn onderneming geregistreerd is bij de Kamer van Koophandel;

b. de veehouderijlocatie van de aanvrager waarop de aanvraag betrekking heeft;

c. het gemiddelde aantal dieren van de diersoorten met productierecht, uitgedrukt in varkenseenheden, pluimvee-eenheden respectievelijk kilogrammen fosfaat, dan wel het gemiddelde aantal vleeskalveren, dat op de veehouderijlocatie is gehouden in het voor de berekening van de stikstofvracht gebruikte referentiejaar;

d. indien het een veehouderij met productierecht betreft: de omvang van het productierecht, uitgedrukt in varkenseenheden, pluimvee-eenheden respectievelijk kilogrammen fosfaat, dat zal vervallen;

e. een opgave of de aanvrager voor de veehouderijlocatie beschikt over een natuurvergunning;

f. een opgave van de voor de veehouderij met productierecht of de vleeskalverhouderij op de veehouderijlocatie gebruikte productiecapaciteit, met vermelding, voor zover het een dierenverblijf betreft, van:

1°. de datum waarop voor het eerst landbouwhuisdieren in het dierenverblijf zijn gehouden, en

2°. de oppervlakte van het dierenverblijf, uitgedrukt in m2, uitgaand van de buitenmaten van het dierenverblijf.

4 Bij de aanvraag worden de volgende bescheiden gevoegd:

a. een kopie van, voor zover van toepassing, de omgevingsrechtelijke melding, de omgevingsvergunning beperkte milieutoets of de omgevingsvergunning milieu en de natuurvergunning betreffende de veehouderijlocatie waarop de aanvraag betrekking heeft;

b. een verklaring van de aanvrager dat:

1°. hij op de veehouderijlocatie daadwerkelijk een veehouderij met productierecht of een vleeskalverhouderij drijft;

2°. de voor de veehouderij met productierecht of de vleeskalverhouderij op de veehouderijlocatie gebruikte productiecapaciteit onafgebroken gedurende de vijf jaren voorafgaande aan de aanvraag op bedrijfseconomisch gangbare wijze is gebruikt;

c. een kopie van de uitkomsten van de berekening van de stikstofvracht;

d. een kopie van de administratie voor het voor de berekening van de stikstofvracht gebruikte referentiejaar, voor zover deze betrekking heeft op de gegevens, bedoeld in artikel 32, tweede lid, onderdelen d en e, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet;

e. een actuele kaart van de veehouderijlocatie, met aanduiding van de voor de veehouderij met productierecht of de vleeskalverhouderij gebruikte productiecapaciteit;

f. een kopie van de bouwtekening van de dierenverblijven waar de aanvraag betrekking op heeft;

g. een kopie van de meest recente beschikking voor de bepaling van de waarde, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet waardering onroerende zaken, van de productiecapaciteit.

§ 5 — Verdeling subsidieplafond

Artikel 12

De minister verdeelt het in artikel 10, tweede lid, bedoelde subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

§ 6 — Verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel 13

1 De subsidieontvanger voldoet aan:

a. het vereiste, vermeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel h, door de in die bepaling bedoelde overeenkomst binnen zes maanden na de subsidieverlening ondertekend aan de minister te zenden;

b. de vereisten, vermeld in artikel 5, eerste lid, onderdelen a, b, c en g, binnen twaalf maanden nadat de overeenkomst, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel h, is gesloten;

c. de vereisten, vermeld in artikel 5, eerste lid, onderdelen d, e, f en i, voor zover van toepassing, binnen 28 maanden nadat de overeenkomst, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel h, is gesloten, met dien verstande dat de subsidieontvanger, voor zover van toepassing, binnen twaalf maanden nadat de overeenkomst, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel h, is gesloten, bij het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdelen d en f, een of meer aanvragen indient tot het nemen van besluiten als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdelen d, e respectievelijk f.

2 Het afbreken en verwijderen van de productiecapaciteit, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel i, vindt niet eerder plaats dan nadat de minister heeft geconstateerd dat uitvoering is gegeven aan de in artikel 5, eerste lid, onderdelen a en b, bedoelde vereisten.

§ 6 — Verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel 14

1 De subsidieontvanger verstrekt de minister op diens verzoek informatie over de uitvoering van de in artikel 5, eerste lid, bedoelde vereisten.

2 De subsidieontvanger verstrekt de minister informatie over de wijze waarop uitvoering is gegeven aan de in artikel 5, eerste lid, onderdelen a, b, c, d, e, f en g bedoelde vereisten.

3 De in het tweede lid bedoelde informatieverstrekking vindt plaats met gebruikmaking van een daartoe door de minister ter beschikking gesteld middel.

4 Bij de informatieverstrekking worden de volgende bescheiden gevoegd:

a. een kopie van de kennisgeving over het geheel of gedeeltelijk vervallen van het productierecht, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel c;

b. een kopie van de omgevingsrechtelijke melding, dan wel intrekking of wijziging van de omgevingsvergunning beperkte milieutoets of omgevingsvergunning milieu, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel d;

c. een kopie van het besluit, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel e, of van het besluit, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel f;

d. een kopie van een ontvangstbevestiging van aanvragen als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel c;

e. een kopie van het verzoek, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel g, en van een bericht van de gemeente waaruit blijkt dat het verzoek in behandeling is genomen.

§ 6 — Verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel 15

1 De subsidieontvanger houdt zich aan de verplichtingen die hij jegens de Staat der Nederlanden is aangegaan op grond van artikel 5, eerste lid, onderdeel h.

2 De subsidieontvanger stelt geen ruimte voor stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied die voor de veehouderijlocatie bestaat of bestond ingevolge de bestaande vergunningen, in het kader van extern salderen geheel of gedeeltelijk ter beschikking voor andere activiteiten met het oog op een daarvoor aangevraagde of aan te vragen natuurvergunning.

§ 7 — Gegevensverwerking

Artikel 16

1 De minister kan voor een beoordeling van de juistheid van de informatie die is verstrekt bij de indiening van aanvragen op grond van deze regeling gebruikmaken van de daarvoor noodzakelijke gegevens die zijn opgenomen in registraties op grond van de Meststoffenwet, de Wet dieren, de Landbouwwet, de Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 (PB EU 2016, L 84) en de Gedelegeerde verordening (EU) 2019/2035 van de Commissie (Pb EU 2019, L 314).

2 De minister kan met het oog op de uitvoering van deze regeling gegevens over aanvragen op grond van deze regelingen verstrekken aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel d respectievelijk f.

3 De minister kan gegevens die de subsidieontvanger heeft verschaft in het kader van de subsidieverstrekking gebruiken voor:

a. het opnemen van depositieruimte in AERIUS Register, bedoeld in afdeling 3.7 van de Omgevingsregeling;

b. de toepassing van de artikelen 1.12f, 1.13b en 1.13c van de Wet natuurbescherming en de artikelen 2.2, 2.3 en 2.4 van het Besluit natuurbescherming, dan wel, na inwerkingtreding van de Omgevingswet: artikel 20.1, eerste lid, van die wet, de artikelen 11.68, 11.69, 11.69a, 11.69c, 12.26b en 12.26c van het Besluit kwaliteit leefomgeving en de artikelen 10.36dc en 15.5 van het Omgevingsbesluit.

§ 8 — Bevoorschotting

Artikel 17

1 De minister verstrekt de subsidieontvanger uiterlijk zes weken na ontvangst van de ondertekende overeenkomst, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel h, een voorschot van 20% van het subsidiebedrag.

2 De minister verstrekt de subsidieontvanger een voorschot van 60% van het subsidiebedrag uiterlijk zes weken nadat aan de hand van de in artikel 14, tweede lid, bedoelde informatieverstrekking is vastgesteld dat uitvoering is gegeven aan de in artikel 5, eerste lid, onderdelen a, b, c en g bedoelde vereisten en dat de subsidieontvanger, voor zover van toepassing, bij het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdelen d en f, een of meer aanvragen heeft ingediend tot het nemen van een besluit als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdelen d, e respectievelijk f.

§ 9 — Subsidievaststelling

Artikel 18

De aanvraag om subsidievaststelling wordt uiterlijk dertien weken na afloop van de in artikel 13, eerste lid, onderdeel c, bedoelde termijn van 28 maanden ingediend met gebruikmaking van een middel dat door de minister beschikbaar wordt gesteld.

§ 10 — Slotbepalingen

Artikel 19

1 De subsidie, bedoeld in artikel 4, bevat staatssteun.

2 De minister maakt, gelet op de Richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden (2022/C 485/01), na de datum van de subsidievaststelling de volgende gegevens over de subsidieverstrekking bekend:

a. de naam van de subsidieontvanger;

b. de hoogte van het verstrekte subsidiebedrag;

c. de datum van de subsidievaststelling;

d. het feit dat de subsidieverstrekking betrekking heeft op een onderneming die voldoet aan de in artikel 2, eerste lid van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 2472/2022 vastgestelde criteria;

e. de provincie op het grondgebied waarvan de locatie zich bevindt;

f. de voornaamste economische sector waarin de subsidieontvanger ten tijde van de subsidieaanvraag actief was.

3 De gegevens, bedoeld in het tweede lid, blijven ten minste tien jaar openbaar beschikbaar.

§ 10 — Slotbepalingen

Artikel 20

1 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

2 Deze regeling vervalt vijf jaren na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

§ 10 — Slotbepalingen

Artikel 21

Deze regeling wordt aangehaald als: Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting.

Bijlage 1 — behorende bij artikel 1 van de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting

Bijlage 1 — behorende bij artikel 1 van de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting

Natuurgebied nummer | Natuurgebied

1 | Waddenzee

2 | Duinen en Lage Land Texel

3 | Duinen Vlieland

4 | Duinen Terschelling

5 | Duinen Ameland

6 | Duinen Schiermonnikoog

7 | Noordzeekustzone

13 | Alde Feanen

15 | Van Oordt’s Mersken

16 | Wijnjeterper Schar

17 | Bakkeveense Duinen

18 | Rottige Meenthe & Brandemeer

21 | Lieftinghsbroek

22 | Norgerholt

23 | Fochteloërveen

24 | Witterveld

25 | Drentsche Aa-gebied

26 | Drouwenerzand

27 | Drents-Friese Wold & Leggelderveld

28 | Elperstroomgebied

29 | Holtingerveld

30 | Dwingelderveld

31 | Mantingerbos

32 | Mantingerzand

33 | Bargerveen

34 | Weerribben

35 | De Wieden

36 | Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht

37 | Olde Maten & Veerslootslanden

38 | Rijntakken

39 | Vecht- en Beneden-Reggegebied

40 | Engbertsdijksvenen

41 | Boetelerveld

42 | Sallandse Heuvelrug

43 | Wierdense Veld

44 | Borkeld

45 | Springendal & Dal van de Mosbeek

46 | Bergvennen & Brecklenkampse Veld

47 | Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek

48 | Lemselermaten

49 | Dinkelland

50 | Landgoederen Oldenzaal

51 | Lonnekermeer

53 | Buurserzand & Haaksbergerveen

54 | Witte Veen

55 | Aamsveen

57 | Veluwe

58 | Landgoederen Brummen

60 | Stelkampsveld

61 | Korenburgerveen

62 | Willinks Weust

63 | Bekendelle

64 | Wooldse Veen

65 | Binnenveld

69 | De Bruuk

70 | Lingegebied & Diefdijk-Zuid

71 | Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem

81 | Kolland & Overlangbroek

82 | Uiterwaarden Lek

83 | Botshol

84 | Duinen Den Helder-Callantsoog

85 | Zwanenwater & Pettemerduinen

86 | Schoorlse Duinen

87 | Noordhollands Duinreservaat

88 | Kennemerland-Zuid

89 | Eilandspolder

90 | Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder

91 | Polder Westzaan

92 | Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske

94 | Naardermeer

95 | Oostelijke Vechtplassen

96 | Coepelduynen

97 | Meijendel & Berkheide

98 | Westduinpark & Wapendal

99 | Solleveld & Kapittelduinen

100 | Voornes Duin

101 | Duinen Goeree & Kwade Hoek

103 | Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

105 | Zouweboezem

112 | Biesbosch

113 | Voordelta

114 | Krammer-Volkerak

115 | Grevelingen

116 | Kop van Schouwen

117 | Manteling van Walcheren

118 | Oosterschelde

121 | Yerseke en Kapelse Moer

122 | Westerschelde & Saeftinghe

123 | Zwin & Kievittepolder

124 | Groote Gat

125 | Canisvliet

128 | Brabantse Wal

129 | Ulvenhoutse Bos

130 | Langstraat

131 | Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen

132 | Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek

133 | Kampina & Oisterwijkse Vennen

134 | Regte Heide & Riels Laag

135 | Kempenland-West

136 | Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux

137 | Strabrechtse Heide & Beuven

138 | Weerter- en Budelerbergen & Ringselven

139 | Deurnsche Peel & Mariapeel

140 | Groote Peel

141 | Oeffelter Meent

142 | Sint Jansberg

143 | Zeldersche Driessen

144 | Boschhuizerbergen

145 | Maasduinen

146 | Sarsven en De Banen

147 | Leudal

148 | Swalmdal

149 | Meinweg

150 | Roerdal

153 | Bunder- en Elslooërbos

154 | Geleenbeekdal

155 | Brunssummerheide

156 | Bemelerberg & Schiepersberg

157 | Geuldal

158 | Kunderberg

159 | Sint Pietersberg & Jekerdal

160 | Savelsbos

161 | Noorbeemden & Hoogbos

Bijlage 2 — behorende bij artikel 5, eerste lid, onderdeel h, van de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting › Modelovereenkomst

Modelovereenkomst

... (naam), in zijn/haar hoedanigheid van privé persoon en als natuurlijke persoon of rechtspersoon die of samenwerkingsverband van natuurlijke personen of rechtspersonen dat een veehouderij drijft, verder te noemen: de veehouder en

de Staat, vertegenwoordigd door de Minister voor Natuur en Stikstof, namens deze, ....... van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

overwegende:

dat de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting (verder: de regeling), artikel 5, eerste lid, onderdeel h, als voorwaarde bevat voor subsidieverstrekking dat de subsidie ontvangende veehouder zich bij overeenkomst moet hebben verbonden om:

1°. niet langer op de locatie landbouwhuisdieren te houden, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband;

2°. zeker te stellen dat na al dan niet tijdelijke overdracht of ingebruikgeving van de locatie of een deel daarvan aan een verkrijger of gebruiker evenmin op die locatie landbouwhuisdieren worden gehouden;

3°. niet op een andere locatie in Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie dezelfde diersoorten met productierecht te gaan houden die werden gehouden op de locatie die met subsidie op grond van deze regeling is gesloten, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband;

dat de aanvraag van de veehouder om subsidie op grond van de regeling te ontvangen voor het beëindigen van de veehouderijlocatie met adres ... (verder te noemen: de locatie), is toegewezen;

komen het volgende overeen:

1. De veehouder zal, na te hebben voldaan aan de vereisten, bedoeld in artikel 5 van de regeling, op de locatie niet opnieuw landbouwhuisdieren gaan houden.

2. De veehouder zal bij overdracht van de locatie of een deel daarvan in de koopovereenkomst een zogenaamd kettingbeding opnemen luidende dat de locatie niet gebruikt zal worden voor het houden van landbouwhuisdieren en dat elke volgende verkrijger aan dezelfde verplichting wordt verbonden.

3. De veehouder gaat de kwalitatieve verplichting aan als bedoeld in artikel 6:252 van het Burgerlijk Wetboek om de locatie niet te gebruiken voor het houden van landbouwhuisdieren en schrijft deze kwalitatieve verplichting in de openbare registers in.

4. De veehouder zal niet op een andere locatie dan de hiervoor bedoelde locatie, in Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie, dezelfde diersoorten met productierecht gaan houden, behoudens voor zover het een locatie betreft waar hij ten tijde van de aanvraag om subsidie op grond van de regeling reeds dezelfde diersoorten met productierecht hield.

Datum en plaats:

................, ..........

.... | ....

(.... = naam vertegenwoordiger van de Staat) | | (... = naam veehouder, geboortedatum en BSN-nummer)

.... | (... = naam echtgenote / echtgenoot van veehouder, geboortedatum en BSN-nummer)