wetzoeker

Bijlage II — Matrix voor de periodiciteit van de keuring van attractietoestellen Warenwetregeling attractie- en speeltoestellen

Matrix voor de periodiciteit van de keuring van attractietoestellen

(bijlage als bedoeld in de artikelen 5, tweede lid, en 7, eerste lid, van de Warenwetregeling attractie- en speeltoestellen)

Ten aanzien van attractietoestellen wordt gebruik gemaakt van één van de volgende drie keuringsregimes: jaarlijks, tweejaarlijks en driejaarlijks.

Voor de indeling in één van de drie keuringsregimes wordt uitgegaan van onderstaande matrix. In de matrix wordt op drie criteria getoetst:

• De versnellingen waaraan de gebruiker van het toestel wordt blootgesteld;

• de maximale snelheid waaraan de gebruiker van het attractietoestel wordt blootgesteld;

• Het aantal dimensies waarin het attractietoestel de gebruiker kan bewegen.

In de grijze vakken staat hoe vaak de keuringen moeten plaatsvinden. | Snelheid < 5 m/s | Snelheid ≥ 5 m/s & < 10 m/s | Snelheid ≥ 10 m/s

NEN-EN 13814-1:2019 versnelling gebied 1 of 2 | 1D | 2D | 3D | 1D | 2D | 3D | 1D | 2D | 3D

3 jaarlijks | 3 jaarlijks | 2 jaarlijks | 3 jaarlijks | 2 jaarlijks | 1 jaarlijks | 2 jaarlijks | 2 jaarlijks | 1 jaarlijks

NEN-EN 13814-1:2019 versnelling gebied 3 of 4 | 1D | 2D | 3D | 1D | 2D | 3D | 1D | 2D | 3D

3 jaarlijks | 3 jaarlijks | 2 jaarlijks | 2 jaarlijks | 2 jaarlijks | 1 jaarlijks | 2 jaarlijks | 1 jaarlijks | 1 jaarlijks

NEN-EN 13814-1:2019 versnelling gebied 5 | 1D | 2D | 3D | 1D | 2D | 3D | 1D | 2D | 3D

2 jaarlijks | 1 jaarlijks | 1 jaarlijks | 2 jaarlijks | 1 jaarlijks | 1 jaarlijks | 1 jaarlijks | 1 jaarlijks | 1 jaarlijks

Versnelling

Ter beoordeling van de versnellingen waaraan de gebruiker van een attractietoestel wordt blootgesteld, wordt aansluiting gezocht bij de NEN-EN13814-1:2019. In deze norm is in een diagram voor classificaties voor veiligheidsbeugels (restraint diagram) een vijftal gebieden gedefinieerd op basis van de combinatie van de verticale versnelling en de voor/achterwaartse versnelling op het lichaam. Uit de vijf gebieden zijn voor het bepalen van de periodiciteit drie categorieën gedefinieerd:

• gebruiker van het attractietoestel ervaart versnellingen in gebied 1 of 2;

• gebruiker van het attractietoestel ervaart versnellingen in gebied 3 of 4; of

• gebruiker van het attractietoestel ervaart versnellingen in gebied 5.

Snelheden en versnellingen van attractietoestellen dienen tijdens het in bedrijf zijn van de attractie gemeten te worden, waarbij het centrum van het ‘body co-ordinate system’, zoals weergegeven in NEN-EN13814-1:2019 als uitgangspunt wordt genomen. Bij het bepalen van het gebied waarin het attractietoestel zich beweegt, moet uitgegaan worden van de piekwaarde in het hoogste gebied. Indien van een attractietoestel geen metingen beschikbaar zijn, kan uitgegaan worden van de gegevens van de fabrikant voor dit specifieke toestel. Indien hier geen uitsluitsel kan worden gegeven, dient uitgegaan te worden van het gebied 5 en klasse 5 uit de NEN-EN13814-1:2019.

Snelheid

De eerste twee snelheidscategorieën zijn bepaald aan de hand van de eisen voor een attractietoestel van een eenvoudig ontwerp, dus een snelheid maximaal 10 m/s. Hierbij is een onderscheid gemaakt tussen de attractietoestellen met een zeer lage snelheid, waarbij de snelheden ook vaak bij door spierkracht aangedreven (speel)toestellen behaald worden; de grens is gelegd op 5 m/s (circa 18 km/uur). Voor de derde categorie is uitgegaan van een snelheid die hoger ligt. In alle gevallen dient uitgegaan te worden van de behaalde pieksnelheid.

De drie categorieën zijn:

• snelheden lager dan 5 m/s;

• snelheden van 5 m/s of hoger, maar lager dan 10 m/s; of

• snelheden van 10 m/s of hoger.

Dimensies

Het aantal dimensies waarin het toestel daadwerkelijk beweegt en de mate waarin het toestel zich in richtingen beweegt, bepaalt ook de grootte van de krachten en in welke richting deze krachten op het lichaam worden uitgeoefend. Doordat in meerdere dimensies wordt bewogen, zal (veelal) ook de complexiteit van het attractietoestel toenemen en daarmee risico’s op bijvoorbeeld slijtage van het toestel of letsel bij de gebruiker. De drie categorieën zijn:

• bewegingen in één dimensie, rechtlijnige bewegingen;

• bewegingen in twee dimensies, een combinatie van bewegingen in een plat vlak (bijvoorbeeld: x- en y-richting, x- en z-richting of y- en z-richting);

• bewegingen in drie dimensies, een combinatie van bewegingen in x-, y- en z-richtingen.

Bij het bepalen van de dimensies wordt uitgegaan van een globaal x-, y- z-assenstelsel. Indien een attractietoestel door een bocht beweegt of als pendule werkt is sprake van twee dimensies. Draaimolens bewegen bijvoorbeeld veelal in twee dimensies, indien de wagens ook in verticale richting bewegen zal sprake zijn van drie dimensies. Andere voorbeelden van attractietoestellen met een beweging in drie dimensies zijn achtbanen en topspins. Een attractietoestel dat slechts in één dimensie beweegt is bijvoorbeeld een vrije val of valtoren.

Regeling
Warenwetregeling attractie- en speeltoestellen
Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
01-04-2025
BWB-id
BWBR0048051
Versie
2025-04-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl