4.1 — Drempelcriteria (fase 1.A) Besluit vaststelling beleidsregels en subsidieplafond subsidiëring Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma Bodemvruchtbaarheid)
Drempelcriteria (fase 1.A)
Voor de drempelcriteria geldt dat een aanvraag aan alle criteria moet voldoen (fase 1.A). Indien een aanvraag niet aan alle drempelcriteria voldoet, wordt zij afgewezen en niet verder beoordeeld.
1.
a. De aanvrager/in geval van een aanvraag namens een alliantie de penvoerder is een niet op winst gerichte organisatie die in het bezit is van rechtspersoonlijkheid naar burgerlijk recht.
b. In geval van een aanvraag namens een alliantie zijn alle mede-indieners organisaties die in het bezit zijn van rechtspersoonlijkheid naar burgerlijk recht.
2. De aanvrager/penvoerder heeft uitgaven die in de boekjaren 2017–2021 ten minste € 20 miljoen per jaar bedragen.
3. Gedurende de periode 2017–2021 had de aanvrager, of in geval van een aanvraag namens een alliantie: de alliantie gezamenlijk, een gemiddelde uitgave van minimaal € 5.000.000 per jaar specifiek gericht op bodemvruchtbaarheid in totaal in de gekozen landen waarvoor de aanvraag wordt ingediend.
4. Gedurende de periode 2017–2021 was gemiddeld ten minste 25% van de totale jaarlijkse inkomsten van de aanvrager, afkomstig uit bronnen anders dan directe subsidies en/of bijdragen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (inclusief ambassades). In geval van een aanvraag namens een alliantie geldt dit criterium voor de gehele alliantie. Dat wil zeggen dat indien één van de alliantieleden gemiddeld minder dan 25% van de totale jaarlijkse inkomsten uit andere dan BZ-subsidies of -bijdragen verwerft, dit kan worden gecompenseerd door een ander alliantie lid.
5. De aanvrager is als organisatie geregistreerd in elk van de landen waar de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd, worden uitgevoerd. In geval van een aanvraag namens een alliantie dienen één of meerdere alliantiepartners geregistreerd te staan.
6. De aanvrager/penvoerder is in staat tot een adequaat financieel beheer en kan door ervaringsdeskundigheid met betrekking tot de activiteiten als die waarvoor subsidie wordt gevraagd een doelgerichte en doelmatige uitvoering van de activiteiten waarborgen.
7. De aanvrager/penvoerder toont aan dat hij, en, in geval van een aanvraag namens een alliantie, ook de mede-indieners, een integriteitsbeleid heeft/hebben vastgesteld. De aanvrager/penvoerder toont aan dat hij, en, in geval van een aanvraag namens een alliantie, ook de mede-indieners, procedures heeft/hebben ingevoerd om aan dat beleid toepassing te kunnen geven. Dit integriteitsbeleid en deze procedures zijn er om ernstige vormen van grensoverschrijdend gedrag, daaronder begrepen seksuele misdragingen en racisme, jegens medewerkers en derden bij de uitvoering van de activiteiten waarop de aanvraag betrekking heeft door de aanvrager/penvoerder, eventuele mede-indieners en de door hem/hen ingeschakelde partijen, zo veel mogelijk te voorkomen, in voorkomend geval te onderzoeken, met passende maatregelen zo spoedig mogelijk te doen beëindigen en de gevolgen daarvan te mitigeren. De procedures zijn zodanig ingericht dat een tijdige melding van incidenten aan de minister is gewaarborgd.
8.
A. De bezoldiging van de individuele leden van management en bestuur van Nederlandse aanvragers, penvoerders en mede-indieners, zijnde rechtspersonen of instellingen bedoeld in artikel 1.3 van de Wet Normering Topinkomens, voldoet uiterlijk met ingang van het tijdvak waarvoor subsidie wordt gevraagd aan de voor hen krachtens die wet geldende maximale bezoldiging.
B. De maximale bezoldiging van de individuele leden van management en bestuur van andere dan de in criterium D.8.A bedoelde aanvragers, penvoerders en mede-indieners staat met ingang van het tijdvak waarvoor subsidie wordt gevraagd in redelijke verhouding tot het niveau van de functie, de geografische ligging en de omvang en complexiteit van de organisatie.
12 Voor een nadere toelichting op dit criterium wordt verwezen naar het aanvraagformulier en de appendices 2 en 3 bij dit subsidiebeleidskader.
9. In het geval van een aanvraag door een penvoerder namens een alliantie omvat de aanvraag een namens elk van de alliantieleden (penvoerder en mede-indiener(s)) getekende samenwerkingsovereenkomst, waarin met het oog op het uitvoeren van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd in ieder geval afspraken zijn neergelegd over:
a. de wijze waarop elk van de alliantieleden bijdraagt aan de werkzaamheden van de alliantie;
b. de wijze waarop de besluitvorming in de alliantie plaatsvindt;
c. de wijze waarop de kosten en de risico’s worden gedeeld over de alliantieleden;
d. de wijze waarop de alliantieleden naleving door de penvoerder van de aan een subsidie verbonden verplichtingen jegens de minister waarborgen, inclusief de zorg voor gezamenlijke geaggregeerde rapportages (inclusief IATI-rapportages);
e. de wijze waarop de alliantieleden elkaar informeren, in het bijzonder over hun financiële gezondheid;
f. de wijze waarop de samenwerking kan worden aangepast;
g. de wijze waarop elk van de alliantieleden betrokken is bij het monitoren en evalueren van de voortgang van de gesubsidieerde activiteiten.
10. De aanvrager/penvoerder heeft niet eerder als aanvrager/penvoerder een aanvraag ingediend voor een subsidie in het kader van het Subsidieprogramma Bodemvruchtbaarheid.
11. De aanvraag betreft activiteiten die worden uitgevoerd in en/of gericht zijn op:
a. Landen in de Sahel/West Afrika, waarbij minimaal de helft van de gekozen landen voedselzekerheid-focuslanden van de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking in de Sahel/West Afrika moeten zijn, namelijk Burkina Faso, Mali, Niger, Benin; OF:
b. Landen in Oost en Centraal Afrika, waarbij minimaal de helft van de gekozen landen voedselzekerheid-focuslanden van de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking in Oost Afrika moeten zijn, namelijk: Ethiopië, Soedan, Zuid Soedan, Kenia, Oeganda, Burundi, Mozambique.
12. De activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd zijn gebaseerd op een door de aanvrager ontwikkelde Theory of Change gericht op de algemene doelstelling van het Subsidieprogramma Bodemvruchtbaarheid, namelijk het realiseren van duurzaam bodemvruchtbaarheidsbeheer, dat bijdraagt aan een duurzame voedselproductiviteitsverbetering en toegenomen weerbaarheid en schokbestendigheid van kleinschalige boeren en/of veehouders in de onder D.11 genoemde regio’s en landen.
13. Voor subsidie komen niet in aanmerking:
a. activiteiten die proselitisme (mede) beogen;
b. activiteiten die op winst gericht zijn;
c. activiteiten waarvoor reeds rechtstreeks of middellijk een subsidie of bijdrage van het Ministerie van Buitenlandse Zaken wordt ontvangen;
d. activiteiten van organisaties die reeds ten laste van de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken een instellingssubsidie ontvangen waarvan de werkingsduur zich uitstrekt tot in het subsidietijdvak van het Subsidieprogramma Bodemvruchtbaarheid.
14. De activiteiten starten 01 november 2023, en worden uiterlijk op 31 december 2033 afgerond.
15. De aanvrager/penvoerder vraagt minimaal EUR 98.000.000 en maximaal EUR 100.000.000 aan.
- Regeling
- Besluit vaststelling beleidsregels en subsidieplafond subsidiëring Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma Bodemvruchtbaarheid)
- Soort
- Ministeriële regeling
- Geldend vanaf
- 25-01-2023
- BWB-id
- BWBR0047803
- Versie
- 2023-01-25_0