wetzoeker

5.4 — Kwaliteit en functioneren van de doorstroomtoets (rapportage achteraf) Regeling beoordelingskader doorstroomtoets PO

Kwaliteit en functioneren van de doorstroomtoets (rapportage achteraf)

Deze kwaliteitseisen zijn alleen van toepassing voor al eerder afgenomen toetsen. De beoordeling van de kwaliteit en het functioneren van de calamiteitentoets vindt alleen plaats nadat de operationele toets daadwerkelijk is ingezet. Het CvTE beslist of de calamiteitentoets meedoet aan het Toelatings- en doorstroomonderzoek.

Kwaliteitseisen

Beslisregel: Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, moeten alle vragen met JA of N.V.T. worden beantwoord.

Code | Vragen | Mogelijke antwoorden

KF1 | Verantwoordt de toetsaanbieder op een gedegen manier of en waarom opgaven met inhoudelijke fouten, psychometrisch disfunctioneren, DIF of te weinig waarnemingen al dan niet zijn meegenomen voor de scorerapportage? | ja/nee/n.v.t.

KF2 | Reflecteert de toetsaanbieder via een analyse op het functioneren van de toetsopgaven die op basis van adequate onderbouwing zijn opgenomen in de operationele afname? | ja/nee/n.v.t.

KF3 | Zijn verschillen in percentage referentieniveaus voldoende verantwoord? | ja/nee/n.v.t.

KF4 | Zijn verschillen in de verdeling van populatievaardigheden ten opzichte van de verantwoording van het afgelopen jaar en de onderdelen onderling voldoende verantwoord? | ja/nee/n.v.t.

KF5 | Worden afwijkingen van het landelijke gemiddelde in de relatie tussen toets- en schooladviezen voldoende in kaart gebracht en waar mogelijk voldoende verantwoord? | ja/nee/n.v.t.

De toetsaanbieder verantwoordt jaarlijks na de toetsafname-periode de kwaliteit en het functioneren van de afgenomen doorstroomtoets op basis van de bovengenoemde vijf kwaliteitscriteria. Er wordt beoordeeld of de inhoud van de informatie die door de toetsaanbieder is aangeleverd voldoet aan de vooraf gestelde eisen. Voor een nieuwe aanbieder zijn deze eisen bij de eerste evaluatie niet van toepassing.

Toelichting KF1: De aanbieder presenteert het aantal wel en het aantal niet meegenomen items voor de scorerapportage naar de leerlingen wegens:

1. een inhoudelijke fout;

2. psychometrisch disfunctioneren;

3. DIF;

4. te weinig waarnemingen.

Daarbij wordt verantwoord waarom de meegenomen items in de scorerapportage zijn meegenomen.

Voor (3) geldt: indien er voldoende observaties zijn worden DIF-analyses uitgevoerd tussen:

– Pretest en operationele afname, indien pretestdata worden meegenomen in de kalibratie na operationele afname;

– Operationele afnames, indien data van operationele afnames van de jaren hiervoor worden meegenomen in de kalibratie na operationele afname;

– Schooltypes (regulier bo vs. s(b)o) indien van toepassing.

Verder geldt:

– De DIF-analyses worden grafisch onderbouwd.

– Een DIF-statistiek naar eigen keuze wordt toegepast en de resultaten worden onderbouwd.

De grafische weergaven en DIF-statistieken moeten aan worden geleverd voor ieder item, dus ook voor de items waarbij geen indicatie is gevonden van DIF. Wanneer een item met een indicatie van DIF desondanks wordt meegenomen ten behoeve van de scorerapportage moet de aanbieder aantonen wat het effect is van de inzet van het betreffende item op de behaalde referentieniveaus en behaalde toetsadviezen.

Toelichting KF2: Indien bij de beoordeling van de afgelopen indiening er bij kwaliteitseis V2 afspraken zijn gemaakt over het monitoren van het functioneren van specifieke toetsopgaven, moet de aanbieder de resultaten van de inhoudelijke en psychometrische analyse aanleveren.

Toelichting KF3: De toetsaanbieder moet informatie verstrekken over de percentages referentieniveaus van het wettelijk verplichte domein Lezen en subdomein Taalverzorging van het terrein Nederlandse taal en het terrein Rekenen plus een overzicht van de percentages toetsadviezen (de zes categorieën) van dit jaar ten opzichte van het vorige jaar (in tabelformaat). Verschillen tussen de beide jaren worden door de toetsaanbieder getoetst. Betekenisvolle verschillen tussen beide jaargangen worden door de aanbieder verklaard.

Toelichting KF4: De aanbieder moet inzicht geven in de populatieverdeling van de vaardigheid. Hiertoe worden populatieparameters (gemiddelde en standaarddeviatie) en de schattingsfout op de populatieparameters gegeven. De verdelingen worden grafisch inzichtelijk gemaakt. In deze informatie wordt onderscheid gemaakt tussen de verschillende onderwijstypen. Eventuele verschillen ten opzichte van de rapportage achteraf van het afgelopen jaar worden getoetst. Betekenisvolle verschillen tussen beide jaargangen worden door de aanbieder verklaard. Eventuele verschillen ten opzichte van de landelijke normering worden verklaard.

Toelichting KF5: De toetsaanbieder moet informatie verstrekken over de relatie tussen de toetsadviezen en de eerder gegeven (voorlopige) schooladviezen voor zover deze bekend zijn (in tabelformaat). Als de relatie tussen toets- en schooladviezen sterk afwijkt van de landelijke gemiddelde verdeling, moet de toetsaanbieder mogelijke redenen van de afwijking in kaart brengen. Deze redenen moeten in ieder geval (maar niet uitsluitend) worden gezocht op basis van specifieke aspecten van de eigen populatie en de gebruikte toets (zoals afnamevorm, algoritme ect…), en moeten waar mogelijk voldoende worden verantwoord.

Regeling
Regeling beoordelingskader doorstroomtoets PO
Soort
ZBO-regeling
Geldend vanaf
06-01-2026
BWB-id
BWBR0047614
Versie
2026-01-06_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl