wetzoeker

1 — Inleiding Beleidsbesluit hybride-entiteitenbepalingen

Inleiding

In artikel 4, negende lid, Wet DB 1965 en artikel 2.1, eerste lid, onderdeel e, in samenhang met artikel 2.1, vierde lid, onderdeel a, Wet BB 2021 alsmede in (een groot aantal) geldende belastingverdragen zijn bepalingen opgenomen die zien op inkomen dat wordt ontvangen door of via hybride entiteiten. De genoemde bepalingen in de Wet DB 1965 en Wet BB 2021 regelen hoe de dividendbelasting en bronbelasting uitwerken bij betalingen aan een hybride entiteit, waarbij vanuit Nederlandse fiscale optiek een buitenlandse entiteit als zelfstandig belastingplichtig wordt aangemerkt en het inkomen wordt toegerekend aan deze entiteit, terwijl de staat waarvan de achterliggende participant(en) in de hybride entiteit inwoner is (zijn) het inkomen fiscaal toerekent aan die participant(en) (als inkomen van een of meer inwoner(s)).

In de praktijk bestaat bij de hierna beschreven specifieke casuspositie onduidelijkheid – met name in structuren in relatie tot de VS – over de toepassing van de hiervoor genoemde hybride-entiteitenbepalingen. Tijdens de parlementaire behandeling van de Wet invoering conditionele bronbelasting op dividenden heeft mijn ambtsvoorganger opgemerkt dat het kabinet deze problematiek onderkent en dat zal worden bezien of dat aanleiding geeft om daar in voorkomende gevallen in te voorzien.

1 Kamerstukken II 2020/21, 35 779, nr. 6, p. 11–12.

Door middel van dit besluit kom ik hieraan tegemoet en wordt duidelijkheid aan de praktijk gegeven.

Als laatste zal ik ingaan op de heroverweging van het besluit van 19 maart 1997, IFZ/204M, infobulletin 1997, 232, zoals aangekondigd bij de intrekking van het zogenoemde cv/bv-besluit.

2 Besluit van 3 december 2019, nr. 2019-200938 (Stcrt. 2019, 66196).

Regeling
Beleidsbesluit hybride-entiteitenbepalingen
Soort
Beleidsregel
Geldend vanaf
07-12-2022
BWB-id
BWBR0047581
Versie
2022-12-07_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl