5 — Pedaalkrachtmeters Regeling meetmiddelen politie 2022
Pedaalkrachtmeters
5.1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. resulterende meetwaarde: het uit het verloop van de pedaalkracht als functie van de tijd berekende gemiddelde resultaat van de pedaalkracht.
b. grenswaardesignalering: een inrichting waarmee een akoestische of optische signalering wordt gegeven zolang de meetwaarde een bepaalde instelbare waarde heeft.
5.2 Pedaalkrachtmeters zijn ingedeeld in Categorie C.
5.3 Een pedaalkrachtmeter is voorzien van een handleiding waarin naast de informatie bedoeld in 2.3 het volgende is opgenomen:
– de wijze van plaatsing van de pedaalkrachtmeter in het voertuig;
– indien van toepassing: de beperkingen in het gebruik en de betekenis van een resulterende meetwaarde.
5.4 Een elektronische pedaalkrachtmeter is voorzien van een controle-inrichting waarmee door de gebruiker een pedaalkracht kan worden gesimuleerd en waarmee de juiste werking van het instrument kan worden gecontroleerd. Tijdens deze controle moeten alle circuits worden gecontroleerd die een invloed kunnen hebben op de nauwkeurigheid van de aanwijzing. De omzetting van aangebrachte kracht naar een elektrisch signaal mag hiervan zijn uitgezonderd.
5.5.1 De maximale fout bij centrisch uitgeoefende pedaalkracht bedraagt:
– 50 N voor een pedaalkracht niet groter dan 500 N;
– 10% van de werkelijke pedaalkracht voor krachten groter dan 500 N.
5.5.2 De maximale fout veroorzaakt door een beperkte afleesnauwkeurigheid van de pedaalkrachtmeter bedraagt 10 N.
5.5.3 De maximale fout bij excentrisch uitgeoefende pedaalkracht en bij gelijktijdig optredende dwarskracht als gevolg van een krachtsinleiding onder een hoek tot 10° ten opzichte van de symmetrieas loodrecht op het oplegvlak bedraagt 80 N bij een pedaalkracht van 200 N.
5.5.4 De maximale fouten gelden zowel voor toenemende als voor afnemende pedaalkracht.
5.5.5 Het maximale verschil tussen twee aanwijzingen voor een zelfde pedaalkracht, waarbij één aanwijzing bij toenemende pedaalkracht en de andere aanwijzing bij afnemende pedaalkracht is verkregen bedraagt 25 N.
5.5.6 De maximale fout in de juistheid van een grenswaardesignalering, uitgedrukt als de afwijking tussen de door de pedaalkrachtmeter gemeten waarde en ingestelde waarde bedraagt 20 N.
5.5.7 De maximale fout in de meettijd voor de aanwijzing van een verandering in de aangebrachte pedaalkracht ter grootte van het gehele aanwijsbereik bedraagt 0,1 s.
5.6.1 Een pedaalkrachtmeter heeft ten minste één aanwijsbereik dat het gebied van 0 tot 700 N omvat.
5.6.2 Een pedaalkrachtmeter mag zijn voorzien van een grenswaardesignalering indien deze werkt als signalering voor het bereiken van een ingestelde minimumwaarde of signalering voor een waarde die zich in een ingesteld meetwaardegebied bevindt.
5.6.3 Een pedaalkrachtmeter mag zijn voorzien van een voor de gebruiker toegankelijke nulstelinrichting.
5.7 Een registrerende pedaalkrachtmeter voldoet aan de volgende extra eisen:
a. een registrerende pedaalkrachtmeter geeft het verloop van de pedaalkracht over ten minste 5 s weer in de vorm van een analoge registratie en/of door middel van een meetwaardentabel;
b. de maximale fout in de registratie van de meettijd bedraagt 2% van de werkelijke meettijd;
c. voor een registrerende pedaalkrachtmeter die deel uitmaakt van een remvertragingsmeter bedraagt de maximale fout in het moment van registratie van gelijktijdige optredende veranderingen in de pedaalkracht en de remvertraging 0,1 s.
5.8.1 Een analoge registratie vindt plaats op voor het doel geschikt materiaal met voldoende bestendigheid tegen vocht, vuil en temperatuurinvloeden.
5.8.2 Indien de analoge registratie van de pedaalkracht de aanwijzing van de pedaalkrachtmeter vormt, dan wel kennelijk bedoeld is om gebruikt te worden voor de vaststelling van de optredende pedaalkracht, komt zowel een verandering van 100 N als een tijdsverloop van 1 s overeen met een verandering in registratiepositie van ten minste 5 mm.
5.8.3 Voor een pedaalkrachtmeter waarbij de analoge registratie slechts bedoeld is om te worden benut voor een globale informatie over het verloop van de pedaalkracht mag de verandering in de registratiepositie, bedoeld in het tweede lid, niet minder zijn dan 2,5 mm. De eis, bedoeld in 5.5.2, is op deze registratie niet van toepassing.
5.9.1 Indien de analoge presentatie niet voldoet aan de eis bedoeld in 5.8.2, of de eis bedoeld in 5.5.3, levert de pedaalkrachtmeter na elke meting een meetwaardentabel waarin het verloop van de pedaalkracht als functie van de tijd wordt weergegeven.
5.9.2 De registratie van de pedaalkracht vindt plaats met een interval tussen de verschillende meetwaarden van ten hoogste 0,1 s.
5.9.3 Indien de pedaalkrachtmeter deel uitmaakt van een remvertragingsmeter en een resulterende meetwaarde presenteert, is deze resulterende meetwaarde het gemiddelde van alle meetwaarden verkregen in de meetperiode, bedoeld in 4.1.8.3.
- Regeling
- Regeling meetmiddelen politie 2022
- Soort
- Ministeriële regeling
- Geldend vanaf
- 21-07-2022
- BWB-id
- BWBR0046949
- Versie
- 2022-07-21_0