3 — Snelheidsmeters (deel 1) Regeling meetmiddelen politie 2022
Snelheidsmeters
Deze eisen hebben betrekking op ten minste de volgende snelheidsmeters:
– Detectorsnelheidsmeter: meetmiddel voor het meten van de snelheid van voertuigen op basis van onafhankelijke meetwaarden, waarbij de snelheidsmeting plaatsvindt door middel van het automatisch detecteren van het tijdsverloop tussen ten minste drie achtereenvolgende voertuigposities door middel van een detector met sensoren die zich op een in het meetmiddel vastgelegde vaste afstand bevinden;
– Lasersnelheidsmeter: meetmiddel voor het meten van snelheid van voertuigen, waarbij gebruik gemaakt wordt van door het voertuig gereflecteerd laserlicht;
– Laserscannersnelheidsmeter: lasersnelheidsmeter waarbij de snelheid in het scangebied wordt bepaald door middel van het bepalen van meerdere posities van het voertuig;
– Mobiele trajectsnelheidsmeter: trajectsnelheidsmeter waarbij de lengte van het meettraject wordt bepaald met behulp van de trajectsnelheidsmeter aangebracht in het voertuig van de gebruiker (metend voertuig) en waarmee het betreffende traject wordt afgelegd tijdens de meetcyclus;
– Radarscannersnelheidsmeter: radarsnelheidsmeter waarbij naast de snelheid meerdere posities van het voertuig worden bepaald;
– Radarsnelheidsmeter: meetmiddel voor het meten van de snelheid van voertuigen, waarbij gebruik wordt gemaakt van het door het gemeten voertuig gereflecteerd microgolfsignaal
– Trajectsnelheidsmeter: meetmiddel voor het meten van de snelheid van voertuigen op basis van onafhankelijke meetwaarden, waarbij de tijdsduur van passage van het meettraject wordt bepaald door middel van visuele bepaling van de positie dan wel door automatische bepaling van de positie met detectiesystemen waartussen de afstand meer bedraagt dan 200 m en tevens meer bedraagt dan 200 maal de positiebepalingszone;
– Mobiele snelheidsmeter: meetmiddel waarbij de snelheid bepaald wordt door de meting van de verschilsnelheid met een, in een voertuig ingebouwde, snelheidsmeter zoals hierboven gedefinieerd opgeteld bij de meting van de snelheid van het voertuig voorzien van een voertuigsnelheidsmeter.
3.1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
stationaire meting: meting vanuit een niet bewegend punt;
mobiele meting: meting vanuit een bewegend punt.
3.1.1 Snelheidsmeters zijn als volgt ingedeeld:
Uitvoeringsvorm | Categorie
Meting zonder registratie-inrichting | B
Meting met registratie-inrichting
1 Uitgezonderd de lasersnelheidsmeter en mobiele trajectsnelheidsmeter met registratie-inrichting, deze mogen in Categorie B ingedeeld worden. | A
Mobiele meting | B
3.1.2 Snelheidsmeters zijn voorzien van een handleiding waarin, naast de informatie genoemd in 2.3, de wijze van opstelling van de snelheidsmeter is opgenomen, waarbij de volgende punten moeten worden belicht:
a. Eisen te stellen aan de locatie;
b. Werkwijze en te gebruiken hulpmiddelen voor de juiste plaatsing van de snelheidsmeter;
c. Eventuele overige instellingen die verband houden met de meetlocatie;
d. Eventuele uitsluitingen en beperkingen van de snelheidsmeter.
3.1.3 Snelheidsmeters zijn:
a. voorzien van een testaansluiting met uitzondering van lasersnelheidsmeters;
b. voorzien van een controle-inrichting waarmee door de gebruiker een snelheid kan worden gesimuleerd en waarmee de juiste werking van het instrument kan worden gecontroleerd. Tijdens deze controle moeten alle circuits worden gecontroleerd die van invloed kunnen zijn op de nauwkeurigheid van de aanwijzing.
3.1.4 De maximale fout van snelheidsmeters bedraagt:
a. bij laboratoriumonderzoek 1 km/h voor gesimuleerde snelheden niet groter dan 100 km/h en 1% van de gesimuleerde snelheid voor snelheden groter dan 100 km/h.
b. onder bedrijfsomstandigheden 3 km/h voor snelheden niet groter dan 100 km/h en 3% van de werkelijke snelheid voor snelheden groter dan 100 km/h.
3.1.5.1 Indien de opstelling van de snelheidsmeter plaatsvindt onder een meethoek, is de snelheidsmeter voorzien van een richtmiddel met een maximale fout van 0,3% van de werkelijke snelheid.
3.1.5.2 De maximale fout veroorzaakt door de actuele meethoek bedraagt 0,3% van de werkelijke snelheid.
3.1.5.3 Indien de snelheidsmeter voertuig posities gebruikt, bedraagt de maximale fout veroorzaakt door onnauwkeurigheid van de positiebepaling 0,5% van de werkelijke snelheid.
3.1.5.4 De onafhankelijke meetwaarden geven een zekerheid gelijkwaardig aan ten minste twee onafhankelijke meetwaarden waarbij voor elk van deze meetwaarden de maximale fouten bij laboratoriumonderzoek en onder bedrijfsomstandigheden gelden zoals genoemd in 3.1.4 terwijl het onderlinge verschil in de meetwaarden niet groter is dan de waarde van de maximale fout genoemd in 3.1.4 onder b. De onafhankelijkheid van de meetwaarden is slechts dan voldoende indien een mogelijke verandering in de instelling of de eigenschappen van één onderdeel van de snelheidsmeter niet kan leiden tot een belangrijk gelijke beïnvloeding van de meetwaarden.
3.1.5.5 Snelheidsmeters zijn voorzien van richtingsdiscriminatie en onregelmatig signaal discriminatie en waar nodig ook van afstands- en gebiedsdiscriminatie.
3.1.5.6 De meetopstelling van de snelheidsmeter heeft zodanige eigenschappen, dat met zekerheid kan worden vastgesteld op welk voertuig de gemeten snelheid betrekking heeft, ongeacht het aantal en soort voertuigen dat zich op het weggedeelte bevindt waar de metingen worden verricht.
3.1.5.7 Indien aan de voorwaarde, bedoeld in het voorgaande lid niet kan worden voldaan, moet dit op een registratie-inrichting worden aangegeven of moet het meetresultaat worden verwijderd.
3.1.5.8 Indien de omgevingstemperatuur de grenzen overschrijdt zoals deze zijn vastgelegd door het geldende temperatuurgebied als bedoeld in 2.9.3, zal het meetresultaat
– binnen de maximale fout blijven;
– ongeldig worden verklaard, of;
– worden verwijderd.
3.2 Een snelheidsmeter met registratie-inrichting voldoet aan de volgende extra eisen:
a. De snelheidsmeter heeft een beeldregistratie-inrichting waarmee, onverminderd het bepaalde in 2.10, de volgende registraties plaatsvinden:
– de gemeten snelheid;
– het voertuig waarvan de snelheid wordt gemeten;
– het kenteken en ten minste één andere kenmerkende eigenschap van het voertuig;
– datum en tijdstip van de meting;
– de rijrichting van het gemeten voertuig;
– de meetlocatie;
– indicatie van de positie van het gemeten voertuig;
– overige informatie benodigd voor de juiste interpretatie van het meetresultaat;
– nadere specifieke eisen.
b. de snelheidsmeter heeft dusdanige eigenschappen dat de herkenbaarheid van het gemeten voertuig op de beeldregistratie gewaarborgd is.
c. indien aan de voorwaarde, bedoeld onder b niet kan worden voldaan, wordt de ongeldigheid van het meetresultaat door het snelheidsmeter op de beeldregistratie-inrichting aangegeven, of wordt het meetresultaat verwijderd;
d. van een snelheidsmeter behorend tot Categorie B voorzien van een beeldregistratie-inrichting, kunnen de door de gebruiker te verrichten waarnemingen op eenvoudige en ondubbelzinnige wijze worden gerelateerd aan de door de beeldregistratie-inrichting vastgelegde gegevens. Verder wordt het volgende geregistreerd:
– weergave van de zone waarin de bundel zich bevindt;
– de afstandsinstelling van de snelheidsmeter.
e. de zekerheid van de vaststelling als bedoeld in 3.1.5.6 is ten minste gelijkwaardig aan een tweede meetresultaat verkregen door middel van een onafhankelijke, andere meetmethode waarvan de meetfout niet groter is dan 10% van de werkelijke snelheid.
Indien aan deze voorwaarde niet kan worden voldaan, zal het meetresultaat:
– ongeldig worden verklaard, of;
– worden verwijderd.
3.3 Mobiele snelheidsmeters
3.3.1 Een mobiele snelheidsmeter voldoet aan de volgende extra eisen:
a. de maximale fout, zoals genoemd onder 3.1.4, heeft betrekking op het snelheidsverschil tussen het gemeten voertuig en het voertuig waarin de snelheidsmeter zich bevindt;
- Regeling
- Regeling meetmiddelen politie 2022
- Soort
- Ministeriële regeling
- Geldend vanaf
- 21-07-2022
- BWB-id
- BWBR0046949
- Versie
- 2022-07-21_0