2 — Algemene bepalingen (deel 1) Regeling meetmiddelen politie 2022
Algemene bepalingen
2.1 Meetmiddelen:
Moeten zijn vervaardigd overeenkomstig het type waarvoor door de aangewezen instantie een verklaring is afgegeven, waaruit blijkt dat het type voldoet aan de hierna volgende eisen:
a. is zodanig ingericht dat zij geen aanleiding tot misleiding of misvatting kunnen geven;
b. heeft een doelmatige vorm, is uit voor het doel geschikt materiaal van goede hoedanigheid vervaardigd, functioneert goed en verkeert in een goede staat van onderhoud.
c. is zodanig samengesteld dat de onveranderlijkheid van de meting zowel door het materiaal waaruit het is vervaardigd, als door een goede constructie voldoende is gewaarborgd;
d. is overeenkomstig de instructies van de fabrikant geïnstalleerd en wordt dienovereenkomstig gebruikt;
e. wordt uitsluitend gebruikt voor metingen overeenkomstig hun bestemming;
f. wordt zodanig gejusteerd en gecorrigeerd dat de fouten zo dicht mogelijk bij nul liggen;
g. is van een zodanige opbouw en werking, dat het onderzoek als bedoeld onder a en het onderzoek als bedoeld in artikel 1 van de regeling volgens de eisen gesteld in deze regeling mogelijk is;
h. is voorzien van, indien benodigd voor het onderzoek als bedoeld onder a en het onderzoek als bedoeld in artikel 1 van de regeling, door de aanbieder ter beschikking gestelde bijzondere hulpmiddelen;
i. heeft zodanige eigenschappen, dat geen onredelijke eisen gesteld worden aan de vaardigheid en verrichtingen van de gebruiker.
2.2.1 Voor zover niet anders is bepaald, is een meetmiddel voorzien van de volgende opschriften:
a. de naam van de fabrikant of diens fabrieksmerk;
b. het jaar waarin het meetmiddel is vervaardigd;
c. de typeaanduiding;
d. het nummer van de verklaring van het onderzoek als bedoeld in 2.1 onder a;
e. het serienummer;
f. de meeteenheid;
g. de categorieaanduiding in de vorm: ‘Categorie [X]’, waarbij [X] staat voor A, B of C;
h. het aanwijsbereik;
i. eventuele gebruiksbeperkende omstandigheden.
2.2.2 Indien een meetmiddel is opgebouwd uit een aanwijseenheid met een separaat aan te sluiten meeteenheid, zijn de onder a t/m e vermelde opschriften tevens aangebracht op de separate meeteenheid. De onder f t/m i vermelde opschriften zijn duidelijk leesbaar in de onmiddellijke nabijheid van elke aanwijzing aangebracht.
2.2.3 Additionele opschriften zijn toegestaan zolang deze niet aanleiding geven tot misvatting of misleiding.
2.3 Een meetmiddel is tijdens het onderzoek als bedoeld in 2.1 onder a, voor zover niet anders bepaald, voorzien van een vastgestelde Nederlandstalige handleiding, waarin de handelingen en controles beschreven worden die door de gebruiker moeten worden verricht teneinde zeker te stellen dat de verkregen meetresultaten juist zijn. Hierin zijn in ieder geval de volgende onderwerpen opgenomen:
a. uit te voeren controles voorafgaande aan of tijdens de metingen;
b. de betekenis van een controleresultaat;
c. beschrijving van mogelijk door het meetmiddel gegeven meldingen;
d. informatie benodigd voor een juiste interpretatie van het meetresultaat;
e. specifieke informatie bij een meetmiddel als bedoeld in hoofdstukken 3 tot en met 14.
2.4.1 Justeerinrichtingen of andere instelinrichtingen die de meetnauwkeurigheid of het meetresultaat van het meetmiddel kunnen beïnvloeden zijn verzegeld.
2.4.2 Alle niet voor de gebruiker bedoelde justeermogelijkheden van de meetmiddelen zijn zodanig uitgevoerd dat de aangewezen instantie deze kan verzegelen.
2.5.1 Voor zover in hoofdstukken 3 tot en met 14 een controle-inrichting is voorgeschreven, moet uit de werking en het resultaat van deze inrichting blijken dat de maximale fout niet overschreden wordt.
2.5.2 De fabrikant overlegt bij de aanbieding van het meetmiddel voor het onderzoek als bedoeld in 2.1 onder a een onderbouwing van de waarde van het controleresultaat, gerelateerd aan de maximale fout bij laboratoriumonderzoek of indien niet genoemd, de maximale fout van het meetmiddel.
2.6 De maximale fout geldt voor het gebruik van een meetmiddel overeenkomstig de handleiding van het meetmiddel.
2.7 In een toepasselijke verklaring worden specifieke gebruiksomstandigheden vermeld die van belang zijn bij de eerste keuring danwel herkeuring en het gebruik van het meetmiddel.
2.8 Indien het meetmiddel wordt blootgesteld aan een verstoring, mag een daarvan het gevolg zijnde verandering van de fout in de aanwijzing of registratie niet meer bedragen dan de maximale fout bij eerste keuring of bij laboratoriumonderzoek. Aan deze eis behoeft niet te worden voldaan indien de storing tot gevolg heeft dat:
a. het meetresultaat niet kan worden vastgesteld of
b. het meetresultaat een zodanige fout vertoont dat de gebruiker onontkoombaar de ongeldigheid van de meting zal opmerken.
2.9.1 Een meetmiddel heeft geen grotere fout in de gemeten waarde dan de maximale fout, bedoeld in hoofdstukken 3 tot en met 14;
2.9.2 Indien de frequentie van een interne frequentiebron van invloed is op het meetresultaat mag de frequentie geen grotere afwijking hebben van zijn nominale waarde dan overeenkomend met één tiende van de maximale fout;
2.9.3 De eisen met betrekking tot de maximale fout gelden voor het gehele aanwijsbereik en voor een temperatuurgebied van -10 °C tot 60 °C en een luchtvochtigheid tot 95% (condenserend). Het genoemde temperatuurgebied mag beperkt zijn tot het gebied van ten minste 0 °C tot 50 °C. In dat geval wordt het geldende temperatuurgebied als een gebruiksbeperkende omstandigheid vermeld overeenkomstig 2.2.1.
2.9.4 De fabrikant verstrekt bij het onderzoek als bedoeld in 2.1 onder a een theoretische onderbouwing waarmee aannemelijk wordt gemaakt dat het meetmiddel kan voldoen aan de gestelde eisen en dat het meetmiddel van een zodanige stabiliteit is, dat verwacht mag worden dat gedurende een periode van ten minste twee jaar de maximale fout niet wordt overschreden;
2.9.5 Een meetresultaat wordt zodanig gepresenteerd dat geen extra fout kan ontstaan door een te beperkte afleesnauwkeurigheid.
2.10.1 Voor zover een meetmiddel is voorzien van een registratie-inrichting worden op elke registratie ten minste de opschriften genoemd in 2.2.1 onder d, e, f en g vastgelegd.
2.10.2 Additionele opschriften zijn toegestaan zolang deze niet aanleiding geven tot misvatting of misleiding.
2.11 Een meetmiddel wordt onderzocht op gevoeligheid voor invloedsfactoren, waarbij niet meer dan een onafhankelijke invloedsfactor gelijktijdig in beschouwing wordt genomen.
2.12 Een elektronisch meetmiddel:
a. dat niet door het lichtnet wordt gevoed, voldoet, in afwijking van 2.11, gelijktijdig aan de eisen bedoeld in 2.9.3, en 2.12 onder b;
b. voldoet aan de maximale fout bij alle praktisch voorkomende voedingsspanningen.
c. is voldoende ongevoelig voor elektro-magnetische invloeden. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan, indien de apparatuur de volgende testen van International Document OIML D 11 Edition 2013 (E) doorstaat:
Omschrijving | Geldende eis | Tabel D 11 | Index
spanningsvariatie | 2.9.1 | 18 en 19 / 20 | 1
spanningsonderbrekingen | 2.8 | 22 / 23 | 1 / 2
‘bursts’ (transiënten) | 2.8 | 26 en 28 | 3
‘surges’ | 2.8 | 27 en 29 | 3
elektrostatische ontladingen | 2.8 | 35 | 3
radiofrequente immuniteit | 2.8 | 31, 32, 33 en 34 | 3
d. dat is uitgerust om te kunnen worden gevoed door het boordnet van voertuigen, is voldoende ongevoelig voor invloeden van dit boordnet. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan, indien de apparatuur de volgende testen van International Document OIML D11 Edition 2013 (E) doorstaat:
Omschrijving | Geldende eis | Tabel D 11 | Index
spanningsvariatie | 2.9.1 | 37 | C of F
transiënten voedingslijnen | 2.8 | 38 | IV
transiënten andere lijnen | 2.8 | 39 | IV
startspanningsvariatie | 2.8 | 40 | III
‘load dump’ | 2.8 | 41 | I
- Regeling
- Regeling meetmiddelen politie 2022
- Soort
- Ministeriële regeling
- Geldend vanaf
- 21-07-2022
- BWB-id
- BWBR0046949
- Versie
- 2022-07-21_0