wetzoeker

Regeling specifieke uitkering additionele capaciteit voor toezicht en handhaving energiebesparing

Regeling van de Minister voor Klimaat en Energie van 30 juni 2022, nr. WJZ/ 22076980, houdende regels over het verstrekken van eenmalige specifieke uitkeringen ten behoeve van extra ondersteuning voor toezicht op en handhaving van de energiebesparingsplicht

Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
14-05-2026
Rechtsgebied
Ondernemingspraktijk
Ministerie
Economische Zaken en Klimaat
BWB-id
BWBR0046881
Versie
2026-05-14_0
SHA-256 bron
eedcb7b444e08251acdd451efe5b8824f3d28c0630671da8e1d3f4407533ec35

Officiële tekst op wetten.overheid.nl

Inhoud (18)
  1. Artikel 1
  2. Artikel 2
  3. Artikel 3
  4. Artikel 4
  5. Artikel 5
  6. Artikel 6
  7. Artikel 7
  8. Artikel 8
  9. Artikel 9
  10. Artikel 10
  11. Artikel 11
  12. Artikel 12
  13. Artikel 13
  14. Artikel 14
  15. A. Activiteiten die zien op toezicht en handhaving op de energiebesparings- en informatieplicht
  16. B — Stimulerend toezicht
  17. C — Overige activiteiten, waaronder:
  18. Bijlage 2 — Bedragen per omgevingsdienst als bedoeld in artikel 4, tweede en derde lid

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

additionele capaciteit: de eigen capaciteit van een omgevingsdienst die wordt ingezet in aanvulling op de toezichts- en handhavingscapaciteit die reeds is ingezet en gepland met middelen van gemeenten en provincies;

energiebesparingsplicht: de energiebesparingsplicht, bedoeld in artikel 5.15 van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 3.84 van het Besluit bouwwerken leefomgeving;

EU ETS-deelnemer: bedrijf of instelling waarop artikel 16.5 van de Wet milieubeheer van toepassing is;

fte: fulltime-equivalent, de rekeneenheid voor de omvang van een baan of voor de totale personeelssterkte, waarbij één fte gelijk staat aan een werkweek van 36 uur;

informatieplicht: de verplichting tot het verstrekken van gegevens en bescheiden als bedoeld in artikel 5.15a van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 3.84a van het Besluit bouwwerken leefomgeving;

kwaliteitscriteria VTH: de kwaliteitscriteria voor vergunningverlening, toezicht en handhaving, bedoeld in Kwaliteitscriteria 2.2 zoals vastgesteld door het Interprovinciaal Overleg en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten;

minister: Minister van Klimaat en Groene Groei;

nulsituatie: de stand van toezicht en handhaving op de energiebesparingsplicht op basis van het budget en een omschrijving van de reeds geplande capaciteit uitgedrukt in fte hiervoor over het gehele jaar 2025;

omgevingsdienst: omgevingsdienst die is ingesteld als een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen;

onderzoeksplicht: de verplichting tot het verrichten van een onderzoek naar de maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik als bedoeld in artikel 5.15b van het Besluit activiteiten leefomgeving;

toezichts- en handhavingsactiviteiten: activiteiten in het kader van het toezicht op en de handhaving van de energiebesparingsplicht en informatieplicht als bedoeld in bijlage 2 bij deze regeling.

Artikel 2

Deze regeling heeft tot doel om meerjarig additionele capaciteit voor toezicht en handhaving op de energiebesparingsplicht te realiseren.

Artikel 3

De minister kan op aanvraag aan een omgevingsdienst een specifieke uitkering verstrekken voor de uitvoering van activiteiten in 2027 en 2028 die bijdragen aan het doel zoals genoemd in artikel 2 en zoals opgenomen in bijlage 1.

Artikel 4

1 Het bedrag dat voor 2027 en 2028 voor de specifieke uitkering beschikbaar is gesteld is € 27,571 miljoen.

2 De minister verstrekt ten hoogste één specifieke uitkering per omgevingsdienst en de specifieke uitkering bedraagt ten hoogste het bedrag opgenomen in bijlage 2 bij deze regeling.

3 De minister kan aan een omgevingsdienst voorschotten op het toegekende bedrag van een specifieke uitkering verlenen.

4 De bevoorschotting en uitbetaling van de specifieke uitkering aan een omgevingsdienst geschiedt in 2027 en 2028 jaarlijks en bedraagt voor het desbetreffende jaar ten hoogste het bedrag opgenomen in bijlage 2 bij deze regeling.

5 De bevoorschotting en uitbetaling voor het jaar 2027 geschiedt enkel indien een omgevingsdienst een aanvraag als bedoeld in artikel 5 heeft ingediend vóór 2 oktober 2026.

6 De kosten worden in aanmerking genomen met inbegrip van omzetbelasting, indien de omgevingsdienst die de kosten heeft gemaakt, omzetbelasting niet in aftrek kan brengen.

Artikel 5

1 Een specifieke uitkering wordt op aanvraag aan een omgevingsdienst verstrekt.

2 Een aanvraag voor een specifieke uitkering wordt ingediend in de periode van 3 augustus 2026 tot en met 2 oktober 2026.

3 Een omgevingsdienst verklaart met het doen van de aanvraag dat de aanvraag is afgestemd met het dagelijks bestuur van de omgevingsdienst.

4 Een aanvraag bevat in ieder geval:

a. de naam van de omgevingsdienst;

b. de contactgegevens van de contactpersoon bij de omgevingsdienst;

c. de datum van de aanvraag;

d. de hoogte van de aangevraagde specifieke uitkering, die ten hoogste het bedrag opgenomen in bijlage 2 bij deze regeling bedraagt; en

e. een projectplan.

5 Het projectplan, bedoeld in het vierde lid, onder d, bevat in ieder geval:

a. een beschrijving van de nulsituatie op basis waarvan de additionele capaciteit van de met deze specifieke uitkering te verrichten activiteiten onderbouwd wordt;

b. een beschrijving van de doelgroep opgedeeld in informatieplichtig, onderzoeksplichtig (niet EU ETS) en EU ETS-deelnemers;

c. een beschrijving van de wijze waarop de activiteiten, bedoeld in bijlage 2, worden ingericht, uitgevoerd en gemonitord voor 2027 en 2028, onderverdeeld naar het beoogde aantal bedrijven per jaar en opgedeeld in informatieplichtig, onderzoeksplichtig en EU ETS-deelnemers;

d. een beschrijving op hoofdlijnen van de wijze waarop en de keuze voor de activiteiten, bedoeld in bijlage 1, wordt ingericht, uitgevoerd en gemonitord voor 2027 en 2028;

e. een gespecificeerde begroting, die inzicht geeft in de uitgaven van de omgevingsdienst, voor zover deze betrekking hebben op de activiteiten en de periode waarvoor de specifieke uitkering wordt aangevraagd; en

f. een verklaring waarin is opgenomen dat de activiteiten zoals opgenomen in het projectplan worden uitgevoerd conform de kwaliteitscriteria VTH.

6 Een aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een daartoe door de minister beschikbaar gesteld digitaal formulier dat is geplaatst op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

Artikel 6

1 De omgevingsdienst draagt er zorg voor dat de specifieke uitkering uitsluitend aan de in het projectplan opgenomen activiteiten en in 2027 en 2028 wordt besteed.

2 De omgevingsdienst besteedt minimaal 65% van de verstrekte specifieke uitkering aan de activiteiten zoals opgenomen in bijlage 1, onderdeel A.

3 De omgevingsdienst besteedt minimaal 5% van de verstrekte specifieke uitkering aan de activiteiten zoals opgenomen in bijlage 1, onderdeel B.

4 De omgevingsdienst draagt er zorg voor dat de activiteiten, bedoeld in bijlage 1, onderdelen A en B, uitsluitend door werknemers in dienst bij een omgevingsdienst worden uitgevoerd.

5 De omgevingsdienst draagt er zorg voor dat de in het projectplan opgenomen activiteiten uiterlijk op 31 december 2028 zijn afgerond.

Artikel 7

1 De omgevingsdienst rapporteert uiterlijk op 13 augustus 2027, 11 februari 2028, 11 augustus 2028 en 9 februari 2029 aan de minister over de voortgang van de in het projectplan opgenomen activiteiten.

2 De in het eerste lid genoemde rapportage omvat in ieder geval:

a. de in bijlage 1, onderdeel A, genoemde activiteiten, onderverdeeld naar:

1°. informatieplichtige bedrijven;

2°. onderzoeksplichtige (niet ETS) bedrijven; en

3°. EU ETS-deelnemers.

b. het aantal uitgevoerde hercontroles op de energiebesparingsplicht onderverdeeld naar het aantal bedrijven per jaar, onderverdeeld naar:

1°. informatieplichtige bedrijven;

2°. onderzoeksplichtige (niet ETS) bedrijven; en

3°. EU ETS-deelnemers.

c. het aantal geconstateerde overtredingen onderverdeeld in:

1°. gebouwmaatregelen;

2°. procesmaatregelen; en

3°. faciliteitmaatregelen.

d. de besteding van de specifieke uitkering, waarbij wordt vermeld:

1°. de totale omvang van de besteding;

2°. het percentage dat is besteed aan de activiteiten, bedoeld in bijlage 1, onderdeel A; en

3°. het percentage dat is besteed aan de activiteiten, bedoeld in bijlage 1, onderdeel B.

e. het aantal nog te bezoeken bedrijven op basis van het projectplan.

3 De rapportage, bedoeld in het tweede lid, wordt ingediend met gebruikmaking van een daartoe door de minister beschikbaar gesteld digitaal formulier dat is geplaatst op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

4 Indien de rapportages, bedoeld in het tweede en derde lid, niet overeenkomen met de in het projectplan beoogde uitvoering van de activiteiten kan de minister hierover in overleg treden met de omgevingsdienst.

Artikel 8

De minister wijst een aanvraag af indien:

a. de geraamde uitgaven voor de activiteiten zoals opgenomen in de begroting, bedoeld in artikel 5, vijfde lid, onder e, onvoldoende bijdragen aan het doel, bedoeld in artikel 2; of

b. er gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat de activiteiten waarvoor de specifieke uitkering wordt aangevraagd niet of niet geheel zullen worden uitgevoerd of de omgevingsdienst niet zal voldoen aan de in deze regeling opgenomen verplichtingen.

Artikel 9

De omgevingsdienst doet onverwijld schriftelijk mededeling aan de minister zodra aannemelijk is dat:

a. de in het projectplan, bedoeld in artikel 5, vierde lid, onder e, opgenomen activiteiten niet, niet tijdig, of niet geheel zullen worden verricht; of

b. niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de specifieke uitkering verbonden verplichtingen zal worden voldaan.

Artikel 10

1 De omgevingsdienst legt verantwoording af over de besteding van de specifieke uitkering op de wijze, bedoeld in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet.

2 Indien uit de verantwoordingsinformatie blijkt dat de specifieke uitkering niet volledig is besteed aan uitvoeringsactiviteiten waarvoor deze is verstrekt, of onrechtmatig is besteed, kan de uitkering ter hoogte van het niet of onrechtmatig bestede deel door de minister worden teruggevorderd. De minister doet binnen een jaar na ontvangst van de verantwoordingsinformatie mededeling van de terugvordering aan de omgevingsdienst als ontvanger van de specifieke uitkering.

Artikel 11

De minister stelt de specifieke uitkering overeenkomstig de verlening vast, tenzij:

a. de activiteiten waarvoor de specifieke uitkering is verleend, niet of niet volledig hebben plaatsgevonden, of

b. niet is voldaan aan de verplichtingen en monitoringseisen, bedoeld in de artikelen 6 en 7.

Artikel 12

Wijzigt deze regeling.

Artikel 13

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, met uitzondering van artikel 12, dat in werking treedt per 1 januari 2024.

Artikel 14

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling specifieke uitkering additionele capaciteit voor toezicht en handhaving energiebesparing.

Bijlage 1 — Activiteiten als bedoeld in artikel 3 › A. Activiteiten die zien op toezicht en handhaving op de energiebesparings- en informatieplicht

A. Activiteiten die zien op toezicht en handhaving op de energiebesparings- en informatieplicht

A1. Het uitvoeren van bedrijfsbezoeken en (her)controles bij bedrijven of instellingen op basis van de energiebesparings- en informatie- of onderzoeksplicht, waarbij indien nodig een afdwingbare hersteltermijn wordt opgelegd.

A2. Het uitvoeren van administratieve controle op de informatieplicht- of onderzoeksplicht.

A3 Het verbeteren van het inzicht in de doelgroep van de informatie- of onderzoeksplicht door het aanschrijven van bedrijven, waarbij indien nodig een afdwingbare hersteltermijn wordt opgelegd.

A4. Het verrichten van benodigde juridische of specialistische werkzaamheden voor de onder A1, A2 en A3, bedoelde activiteiten.

A5. Het deelnemen aan de landelijke structuur van OmgevingsdienstNL voor toezicht en handhaving op de energiebesparingsplicht.

Bijlage 1 — Activiteiten als bedoeld in artikel 3 › B — Stimulerend toezicht

B — Stimulerend toezicht

Stimulerend toezicht: het aansporen en motiveren van bedrijven of instellingen om energiebesparende maatregelen te treffen, waarbij de nadruk niet ligt op regulier toezicht en handhaving.

Bijlage 1 — Activiteiten als bedoeld in artikel 3 › C — Overige activiteiten, waaronder:

C — Overige activiteiten, waaronder:

C1. Het verbeteren van het inzicht in de doelgroep op andere wijze dan via aanschrijvingen.

C2. Opleiding en training van toezichthouders op het gebied van energiebesparing via (externe) cursussen en trainingen.

C3. Overheadkosten: kosten voor het inrichten van de monitoringssystemen, de aanschaf van apparatuur ter ondersteuning van het toezicht en periodieke rapportage, alsmede management- en wervingskosten.

Bijlage 2 — Bedragen per omgevingsdienst als bedoeld in artikel 4, tweede en derde lid

Bijlage 2 — Bedragen per omgevingsdienst als bedoeld in artikel 4, tweede en derde lid

2027 | 2028 | Totaal

Nederland | € 13.499.878 | € 13.499.878 | € 26.999.757

Omgevingsdienst Achterhoek | € 321.092 | € 321.092 | € 642.184

Omgevingsdienst Brabant Noord | € 538.815 | € 538.815 | € 1.077.630

Omgevingsdienst DCMR | € 1.355.981 | € 1.355.981 | € 2.711.962

Omgevingsdienst de Vallei | € 219.990 | € 219.990 | € 439.980

Omgevingsdienst Flevoland & Gooi en Vechtstreek | € 426.586 | € 426.586 | € 853.172

Omgevingsdienst Fryske Utfieringstsjinst Miljeu en Omjouwing (FUMO) | € 520.348 | € 520.348 | € 1.040.696

Omgevingsdienst Groene Metropool | € 582.261 | € 582.261 | € 1.164.522

Omgevingsdienst Groningen | € 585.092 | € 585.092 | € 1.170.184

Omgevingsdienst Haaglanden | € 675.555 | € 675.555 | € 1.351.110

Omgevingsdienst IJmond | € 293.290 | € 293.290 | € 586.580

Omgevingsdienst IJsselland | € 411.848 | € 411.848 | € 823.696

Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant | € 1.130.796 | € 1.130.796 | € 2.261.592

Omgevingsdienst Midden-Holland | € 200.839 | € 200.839 | € 401.678

Omgevingsdienst Noord-Holland Noord | € 406.478 | € 406.478 | € 812.956

Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied | € 1.078.130 | € 1.078.130 | € 2.156.260

Omgevingsdienst Rivierenland | € 229.984 | € 229.984 | € 459.968

Omgevingsdienst Drenthe | € 392.259 | € 392.259 | € 784.518

Omgevingsdienst Noord- en Midden-Limburg | € 521.140 | € 521.140 | € 1.042.280

Omgevingsdienst RUD Zeeland | € 332.011 | € 332.011 | € 664.022

Omgevingsdienst Zuid-Limburg | € 484.064 | € 484.064 | € 968.128

Omgevingsdienst Utrecht | € 811.635 | € 811.635 | € 1.623.270

Omgevingsdienst Twente | € 511.015 | € 511.015 | € 1.022.030

Omgevingsdienst Veluwe | € 289.087 | € 289.087 | € 578.174

Omgevingsdienst West-Holland | € 261.450 | € 261.450 | € 522.900

Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid | € 298.640 | € 298.640 | € 597.280

Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant | € 621.492 | € 621.492 | € 1.242.984