Bijlage K — Behorende bij artikel 8, eerste lid Subsidieregeling AMIF, ISF en BMVI 2021–2027
Behorende bij artikel 8, eerste lid
Algemene criteria (1 tot en met 6, maximaal 80 punten)
Subcriteria | Bijbehorende vragen | Punten
1. Relevantie (maximaal 15 punten) | a. In welke mate dragen de verwachte projectresultaten bij aan het beoogde doel zoals opgenomen in artikel B4 lid 1 en D4, lid 1? | 3
b. In welke mate sluiten de uitgewerkte activiteiten van het project aan bij de gekozen subsidiabele activiteit zoals vermeld in de Bijlagen B en D (art. B5, lid 1 en art. D5, lid 1) van deze subsidieregeling en de kaders en richtlijnen zoals opgenomen in de toelichting bij dit artikel? | 7
c. Is er sprake van een aanpak die vernieuwend is ten opzichte van het bestaande, vergelijkbare aanbod voor de doelgroep? | 2
d. Is in het projectvoorstel voorzien in samenwerking met relevante partijen? Is duidelijk beargumenteerd welke partijen participeren en waarom? | 3
2. Doeltreffendheid en kwaliteit van het projectvoorstel (maximaal 20 punten) | a. Is het projectvoorstel op alle onderdelen duidelijk en concreet? | 5
b. In welke mate zijn de voorziene activiteiten concreet uitgewerkt en zijn de te behalen resultaten kwantificeerbaar en meetbaar? | 5
c. Is er sprake van een realistische tijdsplanning met duidelijke en concrete mijlpalen en (eventueel) tussenproducten? | 5
d. Blijkt uit het projectvoorstel dat er adequaat gebruik gemaakt wordt van de kennis, capaciteiten en ervaringen van de (deelnemende) onderdanen uit derde landen waarop het doel van het project zich richt? | 5
3. Doelmatigheid (maximaal 15 punten) | a. Lijken de begrote kosten duidelijk omschreven, onderbouwd en noodzakelijk voor het behalen van de doelstellingen en resultaten van het project? | 10
b. Lijkt de prijs/prestatieverhouding redelijk? | 5
4. Organisatie (maximaal 15 punten) | a. Heeft de aanvragende organisatie voldoende capaciteit, ervaring met projectorganisatie, expertise en financiële armslag om het projectvoorstel met succes uit te voeren? | 5
b. Blijkt uit het projectvoorstel dat de aanvrager kan voldoen aan de vereisten die aan de projectadministratie worden gesteld? | 4
c. Is aannemelijk op basis van eerdere EU- of nationale subsidieverleningen dat de aanvrager het projectvoorstel met succes kan uitvoeren en aan de aan de subsidieverlening verbonden verplichtingen kan voldoen? | 4
d. Heeft de aanvragende organisatie kennis van het beleidsterrein asiel en opvang of integratie? | 2
5. Monitoring en evaluatie (maximaal 9 punten) | a. In hoeverre is uitgewerkt hoe de geplande activiteiten bijdragen aan het behalen van de in het aanvraagformulier onder stap ‘Streefwaarden’ ingevulde beoogde te behalen streefwaarden? Deze streefwaarden zijn rechtstreeks gelinkt aan de beoogde in Nederland te behalen streefwaarden uit het Nationaal Programma AMIF. | 5
b. Blijkt uit de inhoud van de subsidieaanvraag dat het projectvoorstel voorziet in duidelijke criteria om aan te tonen dat er sprake is van succes of falen van de activiteiten die ondernomen worden om het projectdoel te bereiken en de streefwaarden te behalen? | 4
6. Duurzaamheid (maximaal 6 punten) | a. In welke mate blijkt uit het projectvoorstel dat er kans is op een structurele inbedding van positieve projectresultaten en/of blijvende samenwerking na afloop van de projectperiode? | 2
b. In welke mate blijkt uit het projectvoorstel dat er sprake zal zijn van actieve kennisdeling en brede deling van de resultaten gedurende de looptijd? | 2
c. In welke mate is uitgeschreven hoe bij succes de project aanpak overdraagbaar kan worden gemaakt en dienen als blauwdruk voor andere organisaties? | 2
Specifieke criteria (7 of 8, maximaal 20 punten)
Subcriteria | Bijbehorende vragen | Punten
7. Asiel en opvang (maximaal 20 punten) | a. In welke mate bestaat de doelgroep van een opvangproject uit kwetsbare groepen (kwetsbare groepen in de opvang zijn alleenstaande minderjarige vreemdelingen, vreemdelingen met medische problematiek, alleenstaande vrouwen en kinderen)? | 12
b. In welke mate wordt in het project gezorgd voor draagvlak bij omwonenden voor asielopvang (communicatie richting omwonenden, betrekken omwonenden bij het project)? | 4
c. In welke mate wordt in het project gezorgd voor draagvlak bij de bredere gemeenschap, zoals andere gemeenten, Provincie, Nederlandse bevolking voor asielopvang (bijvoorbeeld in de vorm van brede communicatie)? | 4
8. Integratie (maximaal 20 punten) | a. In welke mate is de evaluatie opgenomen in artikel D7, lid 1b uitgewerkt en in welke mate voldoet de beschreven evaluatie-opzet aan de richtlijnen die zijn beschreven in de toelichting op artikel D7, lid 1b? | 4
b. In welke mate richt het project zich specifiek op jongeren (18–27 jaar) en in welke mate is de begeleiding, het toeleidingstraject en het aanbod aan activiteiten en type werk afgestemd op specifieke kenmerken en wensen van jongeren? | 4
c. In welke mate richt het project zich specifiek op vrouwen en in welk mate is de begeleiding, het toeleidingstraject en het aanbod aan activiteiten en type werk afgestemd op specifieke kenmerken en wensen van vrouwen? | 4
d. 1°. Voor projecten gericht op de onder artikel D5, eerste lid, onderdeel a, genoemde activiteiten: In hoeverre wordt er met de voorgestelde acties rekening gehouden met de diversiteit van inburgeraars qua leerbaarheid en digitale vaardigheden en is er in het project aandacht voor de didactiek van online lesgeven en voor de digitale vaardigheden van de betrokken NT2-docenten? 2°. Voor projecten gericht op de onder artikel D5, lid 1, onderdeel b genoemde activiteiten: In hoeverre is de inhoud van de begeleiding gericht op toeleiding naar betaald werk van zowel COA-locatiebewoners als werkgevers en de wijze waarop goede ‘matches’ tussen werkgevers en COA-locatiebewoners gerealiseerd worden, realistisch en overtuigend uitgewerkt? In hoeverre kan het project gebruik maken van een uitgebreid netwerk van werkgevers? 3°. Voor projecten gericht op de onder artikel D5, eerste lid, onderdeel c, genoemde activiteiten: In hoeverre is de samenwerking met werkgevers, de begeleiding van de werkgevers en de deelnemers, de voorgestelde acties om te zorgen voor voldoende taalrijke werkplekken bij werkgevers en de voorgestelde acties om de taalactiviteiten en de werkactiviteiten op elkaar af te stemmen realistisch en overtuigend uitgewerkt? 4°. Voor projecten gericht op de onder artikel D5, lid 1, onderdeel d genoemde activiteiten: In hoeverre zijn de voorgestelde acties om ervoor te zorgen dat de deelnemers (in taalrijke omgevingen) geactiveerd worden en de voorgestelde acties om ervoor te zorgen dat de deelnemers meer gaan participeren in de Nederlandse samenleving realistisch en overtuigend uitgewerkt? In welke mate sluiten de uitgewerkte activiteiten aan bij het sub-thema cq de sub-thema’s (opgenomen in artikel D5, lid 1d) waarop het project zich richt en de beschrijving van deze sub-thema’s in de toelichting bij dit artikel? | 8
- Regeling
- Subsidieregeling AMIF, ISF en BMVI 2021–2027
- Soort
- Ministeriële regeling
- Geldend vanaf
- 16-04-2026
- BWB-id
- BWBR0046658
- Versie
- 2026-04-16_0