wetzoeker

4 — Verzoeken om niet van de vennootschapsbelasting te zijn vrijgesteld Vennootschapsbelasting, subjectieve vrijstelling voor stichtingen en verenigingen (artikel 6 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969)

Verzoeken om niet van de vennootschapsbelasting te zijn vrijgesteld

De subjectieve vrijstelling is van rechtswege van toepassing als aan de daarvoor geldende voorwaarden is voldaan. De toepassing van de vrijstelling kan evenwel nadelig uitwerken. De vrijstelling heeft namelijk een eindafrekening tot gevolg als er daarvoor sprake was van belastingplicht. Ook kan een verlies uit een vrijgesteld jaar niet worden verrekend. Om deze nadelige gevolgen te voorkomen, kan op verzoek worden afgezien van de vrijstelling (artikel 6, derde lid, Wet Vpb). Vereist is hiervoor dat de stichting of vereniging een separaat verzoek doet bij de inspecteur. Dit verzoek moet zijn ingediend uiterlijk gelijktijdig met de aangifte over het desbetreffende jaar. Onder “uiterlijk gelijktijdig” wordt in dit verband verstaan: voordat de inspecteur de definitieve aanslag over het desbetreffende jaar vaststelt. Als het verzoek wordt ingewilligd dan geldt belastingplicht tot de wederopzegging door het lichaam, maar steeds minimaal voor een periode van vijf jaar.

5 Artikel 6, leden 3 en 4, van de Wet Vpb

Regeling
Vennootschapsbelasting, subjectieve vrijstelling voor stichtingen en verenigingen (artikel 6 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969)
Soort
Beleidsregel
Geldend vanaf
31-03-2022
BWB-id
BWBR0046478
Versie
2022-03-31_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl