4.4 — Activiteiten van ondergeschikt ecologisch belang (deel 1) Beleidsregel toetsingskader waterkwaliteit
Activiteiten van ondergeschikt ecologisch belang
In hoofdstuk 6 van het Waterbesluit en de Waterregeling worden op grond van de Waterwet een aantal activiteiten met potentiële gevolgen voor de ecologische toestand geregeld via algemene regels. Deze activiteiten zijn vrijgesteld van de vergunningplicht voor het gebruik van waterstaatswerken, omdat ze van ondergeschikt waterstaatkundig belang worden geacht, zodat een meldingsplicht volstaat. Omdat de activiteiten vaak slechts tijdelijk of kleinschalig zijn, kan deze lijst in principe ook worden gebruikt als indicatieve lijst van activiteiten van ondergeschikt ecologisch belang. Hierbij dient men wel in de gaten te houden, dat niet alle activiteiten van ondergeschikt waterstaatkundig belang ook activiteiten van ondergeschikt ecologisch belang zijn. Veel hangt af van de kwetsbaarheid van het gebied waarin de activiteit plaatsvindt. De activiteiten, genoemd in kader 2, zijn alleen van ondergeschikt ecologisch belang indien zij plaatsvinden buiten kwetsbare gebieden, zoals kwelders, schorren, mosselbanken en (overige) Natura 2000-gebieden. Indien een melding binnenkomt van een activiteit die zal plaatsvinden in een ecologisch kwetsbaar gebied, kan dit een grondslag vormen voor het stellen van maatwerkvoorschriften ten aanzien van de locatie. De zorgplicht voor waterstaatswerken, die de grondslag voor het stellen van maatwerkvoorschriften vormt, omvat namelijk ook een zorgplicht voor de ecologische toestand van het waterlichaam in kwestie. Met andere woorden: de Waterwet biedt in principe de ruimte om in dit soort gevallen bijvoorbeeld te bepalen dat de activiteit moet worden verplaatst naar een ecologisch minder kwetsbaar gebied in de nabijheid. Advisering door een ecoloog is hierbij gewenst. Aanpassingen van de lijst in het Waterbesluit en de Waterregeling betekenen niet automatisch een aanpassing van de lijst in kader 2. Daarvoor zal eerst een ecologische afweging moeten worden gemaakt, waarna kader 2 wordt bijgesteld.
Kader 2 Vergunningsvrije activiteiten van ondergeschikt ecologisch belang De lijst hieronder geeft weer voor welke activiteiten geen vergunning hoeft te worden aangevraagd (‘activiteiten van ondergeschikt belang’, Waterregeling artikel 6.12). Daarbij geldt voor elke hieronder genoemde activiteit dat een vergunning niet noodzakelijk is en een meldingsplicht volstaat, mits de beoogde activiteit niet plaatsvindt in een kwetsbaar gebied. Om te beoordelen of een activiteit in een kwetsbaar gebied plaatsvindt kan kader 3 worden geraadpleegd, waarin deze kwetsbare gebieden per type waterlichaam nader staan omschreven. Staat de activiteit op de lijst in kader 2, maar valt de activiteit binnen een gebied beschreven in Kader 3, dan valt de ingreep niet onder de ingrepen die altijd zijn toegestaan. Bij vraag 1B beantwoord men in dit geval ‘nee’ en Stroomschema deel 1 dient verder te worden doorlopen.
Van toepassing op alle wateren behalve de Noordzee (a – l): a. Het voor een periode van ten hoogste zes maanden plaatsen en opslaan van bouwwerken, bouwborden, materiaal en materieel om een werk of onderhoud te kunnen uitvoeren in, op, boven, over of onder een oppervlaktewaterlichaam of een bijbehorend kunstwerk. b. Evenementen die niet langer duren dan drie maanden. c. Het plaatsen van een in- of uitstroomvoorziening, mits de in- of uitstroomsnelheid maximaal 0,3 m/sec bedraagt, het niet tot schade aan vissen kan leiden en geen belemmering vormt voor de vismigratie. d. Het plaatsen van een steiger, vlonder of aanmeervoorziening, inclusief de bijbehorende voorzieningen, voor zover deze gelegen zijn buiten de vaarweg en bestemd zijn voor niet-bedrijfsmatig gebruik, dan wel naar aard en omvang vergelijkbaar overig gebruik. e. Het plaatsen van informatieborden, informatiezuilen, reclameborden, reclamezuilen, sport- en speeltoestellen, gedenktekens, kunstobjecten, vlaggenmasten, tuin- en straatmeubilair of in aard en omvang hiermee vergelijkbare objecten, waarvoor geen of een beperkte fundering vereist is. f. Terreinophogingen van minder dan 50 m3 per kadastraal perceel. g. Het plaatsen van visfuiken of visnetten, mits deze niet geplaatst worden in de onmiddellijke nabijheid van een vispassage of nevengeul. h. Het uitvoeren van onderhoud en vervanging van bestaande objecten door objecten van vergelijkbare aard en omvang en op dezelfde locatie. i. Het op het maaiveldniveau aanbrengen van verhardingen en recreatieve voorzieningen, niet zijnde een bouwwerk. j. Het plaatsen van kabels en leidingen mits: • Deze geen intrinsiek gevaarlijke stoffen transporteren. • Deze niet parallel of als kruising in de veiligheidszone liggen van een primaire of secundaire waterkering, een kunstwerk of een vaarweg. • Deze niet aangelegd worden door een boring, waarbij lagen met verschillende stijghoogtes worden doorkruist. k. Onderzoeken die niet langer duren dan zes maanden. l. Andere activiteiten die vanwege de aard, beperkte omvang of korte duur naar het oordeel van de beheerder geen nadelige invloed hebben op het waterstaatkundige beheer. Onderdelen 1d, 1e en 1g zijn niet van toepassing op kanalen.
Van toepassing op de Noordzee (m – q): m. Het in de periode van 1 april tot 1 oktober plaatsen van bouwborden en het opslaan van materiaal en materieel om een werk of onderhoud te kunnen uit voeren in, op, boven, over of onder de Noordzee. n. Evenementen die niet langer duren dan drie maanden. o. Het maken van zandbanketten op het strand ten behoeve van niet-permanente bebouwing mits deze maximaal NAP + 6 m hoog zijn en niet breder zijn dan 25 meter dwars op de kust gemeten boven op het banket vanaf het duinfront. p. Het oprichten en in stand houden van niet-permanente bebouwing in de periode van 1 april tot 1 oktober. q. Het verplaatsen van zand op het strand, anders dan bedoeld in onderdeel o, tot een hoeveelheid van maximaal 20 m3 per strekkende meter. Zandverplaatsingen als bedoeld in de onderdelen o en q worden binnen één kalenderjaar niet gecombineerd uitgevoerd. Bovenstaande activiteiten m – q worden uitgevoerd in de zone tussen de duinvoet en de laagwaterlijn.
Kader 3 Vuistregels voor bepaling van ecologische relevantie of kwetsbaarheid. Voor de toetsing geldt als uitgangspunt: er mag geen bestaand areaal dat relevant is voor de KRW-doelen verdwijnen of verslechteren in kwaliteit. Als dat wel gebeurt moeten aanvullende maatregelen worden getroffen. Daarom is het essentieel om een goede afbakening te hebben van het ecologisch relevant of kwetsbaar areaal. In onderstaande lijst is dit areaal per cluster van watertypen aangegeven. Bij activiteiten binnen dit gebied of met invloed op dit gebied moet worden onderzocht of de activiteit ecologische effecten heeft. De lijst bevat vuistregels waarmee een indicatie wordt gegeven of de zone of het gebied waarin een activiteit plaatsvindt ecologisch relevant of kwetsbaar is. Als een gebied of zone als ‘ecologisch niet relevant of kwetsbaar’ is ingeschat, is een fysieke ingreep daarmee uitgezonderd van verdere toetsing. Een uitzondering kan zijn dat de activiteit weliswaar buiten kwetsbaar gebied plaatsvindt, maar wel uitstraalt op relevant of kwetsbaar gebied. Kader 3 wordt op twee plaatsen in de stroomschema’s gebruikt. Bij vraag 1B als check om uit te sluiten dat een activiteit die in principe altijd is toegestaan (zie kader 2) niet in een ecologisch kwetsbaar gebied plaats zal vinden. Daarnaast komt kader 3 aan bod bij vraag 3A, om te beoordelen of een fysieke ingreep in een ecologisch kwetsbaar gebied plaats zal vinden. Vindt een ingreep plaats in een ecologisch kwetsbaar gebied? Dan dient het verdere toetsingsproces te worden vervolgd. Vindt de ingreep echter plaats in een uitgezonderd deel van het waterlichaam? Dan is de beoordeling gereed en hoeven de stroomschema’s van het toetsingskader niet verder doorlopen te worden.
- Regeling
- Beleidsregel toetsingskader waterkwaliteit
- Soort
- Beleidsregel
- Geldend vanaf
- 01-01-2024
- BWB-id
- BWBR0046422
- Versie
- 2024-01-01_0