wetzoeker

4.3 — Stroomschema deel 3. Effecten van fysieke ingrepen Beleidsregel toetsingskader waterkwaliteit

Stroomschema deel 3. Effecten van fysieke ingrepen

In Stroomschema deel 3 wordt bepaald of een ingreep negatieve invloed heeft op de ecologische kwaliteit van een waterlichaam. Bepalend voor de ecologische kwaliteit zijn (naast algemeen fysisch-chemische kwaliteitselementen) vooral een aantal biologische kwaliteitselementen. Welke biologische kwaliteitselementen specifiek van toepassing zijn hangt af van het type waterlichaam. Dit is aangegeven in de KRW-factsheets en onderstaande tabel 2. Effecten van fysieke ingrepen dienen voor alle voor het watertype relevante kwaliteitselementen te worden bepaald. Ecologische kennis is noodzakelijk om de vragen 3B en 3C te beantwoorden.

Tabel 2: Watertypen, clustering en relevante biologische kwaliteitselementen voor de rijkswateren.

Cluster | Watertype | Fytoplankton | Overige waterflora | Macrofauna | Vissen

Macrofyten | Fytobenthos

Meren | M14 | X | X | | X | X

M20 | X | X | | X | X

M21 | X | X | | X | X

M32 | X | X | | X | X

Rivieren | R7 | | X | X | X | X

R8 | | X | X | X | X

R16 | | X | X | X | X

Kustwateren | K1 | X | | | X

K2 | X | X | | X

K3 | X | | | X

Overgangswateren | O2 | X | X | | X | X

Kanalen | M6b | X | X | | X | X

M7b | X | X | | X | X

M30 | X | X | | X | X

3A. Vindt de ingreep plaats in een ‘ecologisch relevant of kwetsbaar gebied’ op basis van ‘Vuistregels voor bepaling ecologische relevantie/kwetsbaarheid’?

In kader 3 is een overzicht gepresenteerd van vuistregels die een indicatie geven of de situatie of het gebied waarin een ingreep plaatsvindt ecologisch relevant of kwetsbaar is. Als dit het geval is moet het Stroomschema deel 3 verder worden doorlopen. Per watertype zijn ook de uitzonderingssituaties voor toetsing genoemd.

3B. Wordt het biologische kwaliteitselement negatief beïnvloed door de ingreep (inclusief uitstralingseffecten)?

Deze zijn afhankelijk van het watertype omdat er een onderscheid bestaat in het deel van het waterlichaam dat met de biologische maatlatten wordt beoordeeld:

• Bij rivieren is dit het gehele gebied dat onder water staat bij de gemiddelde hoogste waterstand;

• Bij meren is dit de oeverlijn bij het hoogste waterpeil waarbij vijf meter als extra buffer is aangehouden om de belangrijke oevervegetatie te beschermen;

• Bij kanalen wordt enkel gekeken naar het deel binnen de oeverbeschoeiing;

• Bij de kustwateren is het gebied tot de duin- of dijkvoet relevant;

• Bij overgangswateren is dit het gehele gebied dat onder water staat bij de gemiddelde hoogste waterstand.

Om te bepalen of een ingreep effect zal hebben op een biologisch kwaliteitselement is ecologische kennis noodzakelijk. Voor de beoordeling kunnen diverse hulpmiddelen toegepast worden, zoals de methodiek van ecologische sleutelfactoren (ESF). Bij toetsing mag men ook gebruik maken van een leefgebiedbenadering. Dat betekent dat gekeken wordt welk type leefgebied vermindert of verdwijnt (bv. areaal ondiep water van een halve meter diep) en dat dit areaalverlies als basis dient voor compensatie elders. Indien uit de beoordeling voortvloeit dat een ingreep een negatief effect zal hebben op een biologisch kwaliteitselement en men ‘ja’ bij vraag 3B antwoord vervolgt men het stroomschema naar 3C. Zo niet, dan kan met het stroomschema vervolgen naar vraag 3D.

3C. Wordt het negatieve effect van de ingreep voldoende vereffend door aanvullende maatregelen?

Stappen moeten worden ondernomen om negatieve effecten op de toestand van een waterlichaam tegen te gaan. Aanvullende maatregelen zijn maatregelen die genomen worden om de door de ingreep ontstane negatieve effecten te vereffenen. Dat kan nodig zijn als de toestand van een kwaliteitselement verslechtert door de ingreep of als het tijdig bereiken van een goede toestand als gevolg van de activiteit wordt verhinderd. Aanvullende maatregelen kunnen van zeer verschillende aard zijn en variëren van zorgvuldige, niet verstorende uitvoering van aanlegwerkzaamheden tot inrichting of kwaliteitsverbetering van areaal elders in het waterlichaam. Er is geen hiërarchie in toepassing van aanvullende maatregelen, maar het verdient de voorkeur dat maatregelen die negatieve effecten voorkomen of reduceren worden getroffen voordat maatregelen elders in het waterlichaam worden genomen. Aanvullende maatregelen kunnen in iedere fase van een project relevant zijn, inclusief ontwerp, realisatie, beheer en onderhoud. Bij voorkeur maken de aanvullende maatregelen al integraal deel uit van een activiteit, zodat zij in de beoordeling van de effecten van die activiteit gelijk kunnen worden meegenomen. Indien gebruik gemaakt wordt van een leefgebiedbenadering dan kan het areaalverlies van dat leefgebied elders (met effect) in het waterlichaam gecompenseerd worden. Het areaalverlies kan ook door verbeteringsmaatregelen van bestaand leefgebied plaatsvinden.

Indien de genomen aanvullende maatregelen toereikend worden geacht om de negatieve effecten van de ingreep teniet te doen, dan kan het stroomschema direct worden vervolgd naar stap 3D. Indien dit niet het geval is, is formulering van aanvullende voorwaarden voor de vergunningverlening nodig.

Het uiteindelijke toetsingscriterium is of door de nieuwe activiteit het tijdig bereiken van de doelen niet in gevaar komt. De aanvullende maatregelen moeten plaatsvinden binnen de vigerende planperiode en mogen (zoals hierboven toegelicht) plaatsvinden door kwaliteitsverbetering van areaal binnen het waterlichaam. Daarnaast heeft Rijkswaterstaat de mogelijkheid om in uitzonderingsgevallen te bepalen dat de maatregelen moeten worden uitgevoerd voordat de ingreep plaatsvindt. Dit kan het geval zijn wanneer de ingreep gepland is op een locatie waar de ingreep zonder maatregelen vooraf leidt tot onherstelbare schade aan bepaalde soorten planten of dieren of tot het verdwijnen van bepaald ecologisch areaal.

3D. Zijn alle van toepassing zijnde biologische kwaliteitselementen beoordeeld?

Deze vraag dient als check of alle relevante kwaliteitselementen behandeld zijn. Wanneer dit niet het geval is, doorloopt met het stroomschema nogmaals vanaf vraag 3B voor de andere biologische kwaliteitselementen. Antwoord men hier ja, dan is de beoordeling gereed.

Regeling
Beleidsregel toetsingskader waterkwaliteit
Soort
Beleidsregel
Geldend vanaf
01-01-2024
BWB-id
BWBR0046422
Versie
2024-01-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl