wetzoeker

6.12.2 — Gevolgen Kavelbesluit VII windenergiegebied Hollandse Kust (west)

Gevolgen

MARIN-veiligheidsstudie kavel VII

De MARIN-veiligheidsstudie

61 MARIN, in opdr. van Pondera Consult, Effecten op scheepvaartveiligheid voor

windenergiegebied Hollandse Kust (west), ref. 31909-1-mo-rev.1. 0, 2019.

gaat in op de effecten van windparken in windenergiegebied Hollandse Kust (west). De studie voor kavel VII beschrijft de gevolgen van een windpark voor het scheepvaartverkeer en is een bijlage bij het MER. De gevolgen van de windparken in windenergiegebied Hollandse Kust (west) voor de scheepvaartveiligheid zijn inzichtelijk gemaakt aan de hand van een configuratie van 76 turbines van 10 MW op monopile-funderingen. Dit betreft een worst case-benadering, aangezien het veiligheidsrisico in algemene zin afneemt indien wordt gekozen voor het plaatsen van minder turbines met een hoger vermogen. In de veiligheidsstudie is niet alleen onderzocht wat de gevolgen zijn voor het scheepvaartverkeer (net) buiten het windenergiegebied. Ook is bestudeerd wat de effecten zijn in het geval doorvaart wordt toegestaan. Hierbij is gekeken naar twee beleidsscenario’s: het scenario van integrale doorvaart en het (meer waarschijnlijke) scenario van doorvaart via daartoe aan te wijzen passages. Het uitgangspunt van de studie is dat doorvaart is beperkt tot schepen met een lengtemaat tot 46 meter, zoals vissersschepen en recreatieschepen. Verder gaat de studie in op de risico’s van aanvaringen en aandrijvingen tegen turbines en indirecte risico’s zoals olie-uitstroom en persoonlijke ongevallen.

Aanvaringen- en aandrijfkansen

In de MARIN-veiligheidsstudie voor kavel VII zijn de kansen op aanvaringen als gevolg van een navigatiefout (‘rammings’) en op aandrijvingen als gevolg van een machinestoring (‘driftings’) berekend en de gevolgen hiervan, waaronder het bezwijken van de turbine, olie-uitstroom en persoonlijk letsel. Om dit te kunnen berekenen is de afwikkeling van het scheepvaartverkeer in SAMSON gemodelleerd (Safety Assessment Model for Shipping and Offshore on the North Sea).

Uit deze berekening blijkt dat de totale aanvaar- en aandrijfkansen voor kavel VII eens in de 13,2 jaar bedragen in het geval van het beleidsscenario van doorvaart via aan te wijzen passages en eens in de 9,9 jaar in het geval van integrale doorvaart.

Figuur 8: Verwachte aantal aanvaringen/aandrijvingen per jaar voor kavel VII (76 turbines van 10 MW), bij verschillende doorvaartscenario’s

62 MARIN, in opdr. van Pondera Consult, MEMO Aanvulling effect scheepvaartveiligheid van de herziene kavelindeling HK(west), ref. 31909.602, 2020.

Beleidsscenario doorvaart | Aantal aanvaringen (rammen) per jaar | Aantal aandrijvingen (driften) per jaar | Totaal aantal per jaar | Eens per …jaar

R-schepen | N-schepen | Totaal | R-schepen | N-schepen | Totaal

Integrale doorvaart | 0,004999 | 0,067178 | 0,072177 | 0,026671 | 0,002347 | 0,029018 | 0,101195 | 9,9

Doorvaart via passages | 0,004539 | 0,042489 | 0,047028 | 0,026278 | 0,002423 | 0,028701 | 0,075728 | 13,2

*R-schepen zijn routegebonden schepen en N-schepen zijn niet-routegebonden schepen.

Uit deze cijfers blijkt dat de risico’s die gepaard gaan met doorvaart acceptabel zijn. Een beperking van doorvaart tot aan te wijzen passages levert, met name voor het niet-routegebonden scheepvaartverkeer, minder risico’s op met betrekking tot aandrijvingen en aanvaringen dan in het scenario van integrale doorvaart. Hieronder wordt verder in detail op deelaspecten van de studie ingegaan.

Indirecte gevolgen: olie-uitstroom en persoonlijk letsel

Door aanvaringen en aandrijvingen kunnen indirecte gevolgen optreden, zoals olie-uitstroom en persoonlijk letsel. De kans op persoonlijk letsel is klein. Het verwachte gemiddeld aantal doden per jaar als gevolg van een aanvaring of aandrijving van een turbine betreft 0,0023 in het (worst case) scenario van integrale doorvaart. Belangrijke kanttekening daarbij is dat in het onderzoek gekeken is naar slachtoffers als gevolg van het omvallen van een mast en gondel op een dek en geen rekening is gehouden met eventuele slachtoffers wanneer dit niet het geval is, zoals bij het omslaan van een vissersboot of zinken van een schip.

De kans op olie-uitstroom is kleiner dan de kans op aanvaringen en aandrijvingen omdat niet elke botsing resulteert in olie-uitstroom. Voor kavel VII geldt dat in het (worst case) scenario van integrale doorvaart eens per 576 jaar een uitstroom van bunker- en ladingolie wordt verwacht. De kans op olie-uitstroom op het Nederlandse deel van de Noordzee neemt als gevolg van het risico op een aanvaring met turbines in kavel VII toe met ongeveer 0,4 procent.

Kruisende scheepvaart

In de MARIN-studie is onderzocht welke effecten een windpark in kavel VII kan hebben op kruisende scheepvaart. Onderzocht is een niet-routegebonden schip dat aan de westkant langs het park vaart in noordelijke richting. Hierbij zijn de schaduwstukken bepaald op de route langs het park aan de oostzijde. Er is voor deze hoek gekozen omdat dit het punt is waar een ferry die richting de corridor in IJmuiden Ver vaart mogelijk een schip varend in de berm kan ontmoeten. De verwachting is dat niet zo zeer de beperking van het zicht een belangrijke rol speelt in de ontmoeting, maar het mogelijk verkeerd inschatten van de intenties en manoeuvreerbaarheid van de ander. Uit de studie volgt dat schepen voldoende tijd hebben om uit te wijken.

Recreatievaart

Het windpark kan een aantrekkende werking op recreatievaart hebben. Recreatievaart in of nabij het windpark kan hierdoor toenemen. Voor recreanten gelden aandrijvingen en aanvaringen met windturbines als een risico. Gelet op de beperkte omvang, de lagere massa en de grotere wendbaarheid van deze schepen is dit risico beperkt. Bovendien worden voorwaarden gesteld aan doorvaart ten behoeve van veiligheid en toezicht en handhaving. Deze voorwaarden, die ook gelden voor de recreatievaart, zijn vastgelegd in de beleidsregel voor de instelling van veiligheidszones voor windparken op zee.

63 Stcrt. 2018, nr. 22588.

Zo moeten alle schepen die door parken heen willen varen technische middelen zoals AIS-B en een marifooninstallatie (VHF) aan boord hebben.

Cumulatieve effecten

Meerdere (toekomstige) windparken kunnen extra veiligheidsrisico’s met zich brengen. Dit wordt het cumulatieve effect genoemd. In een aparte studie

64 MARIN, in opdr. van Rijkswaterstaat, WIND OP ZEE 2030: Gevolgen voor scheepvaartveiligheid en mogelijke mitigerende maatregelen, ref. 31132-3-MSCN-rev.1.0, 2019.

zijn door MARIN de cumulatieve effecten die veroorzaakt worden door alle parken van de routekaart 2030 tezamen onderzocht. De bouw van de windparken leidt tot grotere risico’s voor met name het niet-routegebonden verkeer. Risico is het product van kans maal gevolg. De kans op aanvaringen en aandrijvingen met windturbines stijgt bij uitvoering van de routekaart van 0,1 aanvaring per jaar in de huidige situatie op de Noordzee naar circa 1,43 aanvaringen per jaar als alle windparken volgens de routekaart zijn gerealiseerd. Indien in de windparken die tot 2030 worden gebouwd integrale doorvaart wordt toegestaan voor grotere schepen tot 45 meter (worst case scenario), stijgt het aantal aanvaringen per jaar naar verwachting tot 1,87. De bouw van de windparken en de daar op volgende aanpassingen van de routestructuur voor routegebonden scheepvaart, heeft in veel mindere mate effect op de aanvaringsrisico’s tussen schepen onderling. Deze neemt toe van 8,07 aanvaring per jaar (autonome situatie 2030) naar circa 8,3 aanvaringen per jaar (2030 met windparken).

Regeling
Kavelbesluit VII windenergiegebied Hollandse Kust (west)
Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
17-07-2026
BWB-id
BWBR0046414
Versie
2026-07-17_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl