5.2 — Voorkeursverkaveling en verkavelingsalternatief kavel VI Kavelbesluit VI windenergiegebied Hollandse Kust (west)
Voorkeursverkaveling en verkavelingsalternatief kavel VI
Vanwege de in paragraaf 4.2 genoemde keuze voor compacte kavels wordt (vooralsnog) niet het gehele windenergiegebied Hollandse Kust (west) benut voor windenergie. Om die reden bestaan verschillende verkavelingsmogelijkheden en zijn in het MER voor kavel VI twee verkavelingsvarianten onderzocht: de voorkeursverkaveling en het verkavelingsalternatief. Kavel VI heeft in de voorkeursverkaveling een bruto-oppervlakte van circa 90 km2 en is gesitueerd in het noorden van het windenergiegebied Hollandse Kust (west). In het verkavelingsalternatief heeft kavel VI een bruto-oppervlakte van circa 80 km2, gesitueerd in het uiterste zuiden van het windenergiegebied. Figuur 3 in paragraaf 4.2.1 bevat een overzicht van de varianten. Deze varianten wijken enigszins af van de (conceptuele) verkavelingsmogelijkheden als gepresenteerd in de notitie reikwijdte en detailniveau. Dit hangt samen met nieuwe informatie over de aanstaande beëindiging van de gaswinning in het gebied (blok P6) en de daarmee samenhangende status van een deel van de mijnbouwinfrastructuur in het windenergiegebied en, alsmede nieuwe informatie over de status van een in het gebied gelegen telecomkabel.
Uit het MER volgt dat de effecten tussen de voorkeursverkaveling en het verkavelingsalternatief marginaal verschillen. Indien kavel VI zou worden gerealiseerd in het uiterste zuiden van windenergiegebied Hollandse Kust (west) conform het verkavelingsalternatief zijn effecten ten aanzien van kabels en leidingen en archeologie enigszins geringer. Ook is een marginaal beperkter effect te verwachten op de ecologie (vogels en zeehonden). Daar staat tegenover dat een noordelijke invulling van kavel VI conform de voorkeursverkaveling leidt tot geringere effecten op de scheepvaartveiligheid. Het gaat dan om lagere aanvarings- en aandrijvingskansen en daarmee ook een lager risico op persoonlijk letsel en milieuschade door olie-uitstroom.
Gelet op de geringe effectverschillen en de mogelijkheden tot mitigatie van effecten, is er voor gekozen om kavel VI vast te stellen conform de voorkeursverkaveling. Dit biedt de optimale mogelijkheid om het tracé van de netaansluiting Hollandse Kust (west Alpha) gedeeltelijk te combineren met het kabeltracé van het windpark in Hollandse Kust (noord), wat leidt tot een duurzaam en beperkt ruimtegebruik van de infrastructuur voor beide windparken op zowel zee als land. Tevens kan tijdwinst geboekt worden in de vergunningprocedures voor Hollandse Kust (west Alpha) en wordt de omgeving zo min mogelijk belast met de aanlegwerkzaamheden.
Voor de voorkeursverkaveling van kavel VI is een bandbreedte als beschreven in de notitie reikwijdte en detailniveau (NRD) onderzocht waarbinnen verschillende windturbineopstellingen en -types gerealiseerd kunnen worden. Hierdoor houden ontwikkelaars zoveel mogelijk vrijheid om een optimaal ontwerp te maken voor het windpark in termen van kosteneffectiviteit en energieopbrengst. De effecten zijn in het MER per milieuaspect voor twee inrichtingsalternatieven inzichtelijk gemaakt: een variant uitgaande van de ondergrens van de bandbreedte en een variant uitgaande van de bovengrens van de bandbreedte.
Hieronder wordt ingegaan op een aantal belangrijke bevindingen uit het MER.
In navolging van het Kader ecologie en cumulatie (KEC, 2019)
41 Rijkswaterstaat, in opdr. van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Kader ecologie en cumulatie, versie 3.0, 2019. Zie voor een overzicht van alle (deel)rapporten: www.noordzeeloket.nl/functies-gebruik/windenergie-zee/ecologie/cumulatie/kader-ecologie/
is in het MER aandacht uitgegaan naar mogelijke cumulatieve effecten op de populaties van te beschermen soorten gedurende de bouw en exploitatie van windparken op zee tot 2030. Uit de analyse in het KEC blijkt dat voor alle vogel- en vleermuissoorten in het kader van de soortenbescherming het PBR-criterium (Potential Biological Removal)
42 De aanvaardbaarheid van de effecten wordt in het KEC (2015, 2016, 2019) voor vogels en vleermuizen bepaald aan de hand van de Potential Biological Removal (PBR). De PBR is een maat voor het aantal exemplaren van een soort die jaarlijks ‘extra’ (= bovenop de natuurlijke sterfte en emigratie) aan de populatie onttrokken kunnen worden via de in virtuele extra jaarlijkse sterfte uitgedrukte cumulatieve effecten, zonder dat die populatie daardoor structureel achteruit zal gaan. Populatiekenmerken als groei- en herstelcapaciteit en omvang en trend van betreffende populatie zijn in deze maat verdisconteerd. Zolang PBR niet overschreden wordt, zal in theorie geen sprake zijn van significante en dus onacceptabele effecten.
niet wordt overschreden wanneer de routekaart 2030 gerealiseerd wordt met turbines van ten minste 10 MW. In het MER is in relatie tot onder meer aanvaringsslachtoffers onder vogels een bandbreedte onderzocht met een ondergrens van 76 turbines met een rotordiameter van 164 meter. Hoewel deze variant met een betrekkelijk geringe rotordiameter een vrij beperkt (en daarmee voor vogels gunstig) rotoroppervlak heeft, leidt deze onder een aantal laagvliegende vogelsoorten (waaronder meeuwensoorten) tot meer slachtoffers dan berekend in het KEC. Dit is niet het gevolg van de rotordiameter als zodanig maar is te verklaren door de betrekkelijk geringe ashoogte van de turbine in deze variant van 107 meter. Rond de as van een turbine is de kans op aanvaring het hoogst. In dit kavelbesluit is dan ook, naast een maximaal rotoroppervlak, minimale tiplaagte en maximale tiphoogte, een minimale ashoogte (135 meter) voorgeschreven, waarmee wordt aangesloten bij de uitgangspunten van het KEC.
43 Als gevolg van de voorgenomen aanwijzing van de Bruine Bank als Natura 2000-gebied met instandhoudingsdoelstellingen voor verschillende vogelsoorten, is de voorgeschreven bandbreedte nader beperkt. Zie o.a. paragraaf 7.2.
Uit het MER blijkt voorts dat de effecten op de soortengroepen van zangvogels en vleermuizen (met name de ruige dwergvleermuis) beperkt kunnen worden. Gelet op de zorgplicht als bedoeld in de Wet natuurbescherming worden mitigerende maatregelen opgenomen, waaronder de maatregel dat het aantal rotaties per minuut van de windturbines tot minder dan 2 moet worden teruggebracht bij specifieke weersomstandigheden met vogeltrek en vleermuizentrek op rotorhoogte.
Daarnaast zijn in het MER de effecten van de aanleg van verschillende funderingstypen op zeezoogdieren onderzocht. Uit onder meer dit onderzoek volgt dat het aanbrengen van funderingen zonder geluidsbeperkende maatregelen kan leiden tot onaanvaardbare effecten ten aanzien van de bruinvis. Ter voorkoming van gehoorschade wordt een geluidsnorm opgenomen. De geluidsnorm vermindert ook effecten op zeehonden en vissen.
Het gebruik van multirotorturbines maakt deel uit van de bandbreedte die in de notitie reikwijdte en detailniveau is gepresenteerd. Uit het MER-onderzoek is gebleken dat de kennisleemtes te groot zijn om valide conclusies te kunnen trekken over het gebruik van multirotorturbines. De doorgaans gehanteerde modellen voor het in kaart brengen van aanvaringsslachtoffers onder vogels en van effecten van vermijding/habitatverlies, zoals het BAND-model, zijn bijvoorbeeld niet zonder meer bruikbaar voor de beoordeling van de effecten van multirotorturbines. Vanwege de grote kennislacunes van de effecten van multirotorturbines op vogels en vleermuizen is de bandbreedte aangepast. Het gebruik van dit type turbines is in kavel VI windenergiegebied Hollandse Kust (west) niet toegestaan.
De (aangepaste) bandbreedte en de mitigerende maatregelen worden vastgelegd in de voorschriften bij het kavelbesluit.
- Regeling
- Kavelbesluit VI windenergiegebied Hollandse Kust (west)
- Soort
- Ministeriële regeling
- Geldend vanaf
- 17-07-2026
- BWB-id
- BWBR0046360
- Versie
- 2026-07-17_0